MCDD – Beschrijving en diagnostische criteria

Multiple Complex Developmental Disorder (MCDD, in het Nederlands ook wel meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis genoemd) is een ontwikkelingsstoornis die voor het eerst in de jaren 80 is beschreven. MCDD kenmerkt zich door ernstige problemen in drie domeinen:

  • Emotieregulatie: kinderen met MCDD ervaren extreem intense angsten en woede-uitbarstingen (autisme.nl). Zij raken gemakkelijk overspoeld door prikkels en emoties, wat leidt tot paniekreacties of ongecontroleerde driftbuien kinderneurologie.eu) (kinderneurologie.eu). Angst en spanning zijn vaak continu aanwezig, zonder duidelijke aanleiding, en kunnen plots escaleren tot paniekaanvallen. Woede-uitingen zijn buitenproportioneel en het kind kan moeite hebben om eenmaal opgekomen angst of boosheid weer te kalmeren (kinderneurologie.eu).
  • Sociaal gedrag en relaties: er is sprake van consistent aanwezige sociale beperkingen, maar van een ander karakter dan bij klassiek autisme. Kinderen met MCDD kunnen op het oog nog redelijk contact maken, maar hun relaties zijn vaak oppervlakkig en weinig wederkerig. Ze tonen geregeld ambivalent gehechtheidsgedrag: soms overdreven claimend en aanhankelijk naar ouders/verzorgers, dan weer afstandelijk of vijandig (en.wikipedia.org). Vriendschappen onderhouden met leeftijdsgenoten is lastig; het initiatief tot spontaan peerspel is beperkt en ze spelen liever alleen of met een vertrouwd iemand. Sociale interesses zijn dus niet volledig afwezig (zoals soms bij autisme), maar de sociale omgang is onevenwichtig en kwetsbaar (kinderneurologie.eu).
  • Denkprocessen en realiteitsbesef: er treden cognitieve verstoringen op, zoals magisch denken, plotselinge bizarre ideeën of verwarring tussen fantasie en werkelijkheid (kinderneurologie.eu). Kinderen met MCDD hebben vaak een levendige fantasiewereld en spelen uitgebreid fantasiespel, maar zij kunnen moeilijk onderscheid maken tussen hun fantasie en de realiteit (kinderneurologie.eu) (kinderneurologie.eu). Zo kunnen ze bijvoorbeeld bang zijn voor denkbeeldige wezens (monsters, geesten) en deze als reëel ervaren. Ook kunnen zij in stressperiodes kortdurend symptomen vertonen die lijken op psychotische verschijnselen, zoals het horen van stemmetjes of het hebben van eigenaardige overtuigingen (kinderneurologie.eu).

Om de diagnose MCDD volgens onderzoekscriteria te kunnen stellen, moeten er symptomen in alle drie bovengenoemde domeinen aanwezig zijn. Buitelaar en Van der Gaag (1998) hanteerden bijvoorbeeld de eis van ten minste vijf kenmerken verspreid over de categorieën angst/emotieregulatie, sociaal gedrag en denkstoornissen (pmc.ncbi.nlm.nih.gov) (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). In de Nederlandse kinder- en jeugdpsychiatrie is MCDD daarmee bekend als een subtype binnen het autismespectrum met vooral interne chaotische affectregulatie en denkproblemen, in plaats van de primair sociale stoornis die bij klassiek autisme op de voorgrond staat.

Diagnostische kenmerken in samenvatting: kinderen met MCDD vallen op doordat zij moeite hebben om met hun gevoelens om te gaan en om prikkels te verwerken, zich geregeld angstig, overspoeld of paniekerig voelen, sociaal onvoorspelbaar of onevenwichtig gedrag vertonen, en periodes kunnen hebben waarin zij fantasie en werkelijkheid door elkaar halen (autisme.nlkinderneurologie.eu). Een oudervereniging beschrijft het beeld treffend: “Kinderen met MCDD hebben last van extreme angsten en extreme woede-aanvallen. Ze kunnen ook moeilijk onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid.” (autisme.nl).

Ontstaansgeschiedenis en DSM-classificatie van MCDD

MCDD werd in de jaren ’80 voor het eerst beschreven door kinderpsychiaters Donald Cohen (Yale University) en Rutger Jan van der Gaag (Nederland) als een subtype binnen de pervasieve ontwikkelingsstoornissen (PDD) (autisme.nl) (autisme.nl). Men zag in de kliniek een groep jonge kinderen met een combinatie van autistische trekken én angstige en gedachte-verstorende symptomen die niet goed paste binnen de bestaande categorieën. Cohen noemde dit aanvankelijk “multiplex developmental disorder” (1986), later gewijzigd in multiple complex developmental disorder (McDD) in 1993 (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). Van der Gaag promoveerde in 1993 op dit onderwerp en toonde aan dat het om een herkenbaar klinisch beeld ging dat verschilde van klassiek autisme en van andere stoornissen.

Bij de voorbereidingen van de DSM-IV (die in 1994 verscheen) is serieus overwogen om MCDD als aparte diagnose op te nemen naast bijvoorbeeld het syndroom van Asperger (autisme.nl) (autisme.nl). Uiteindelijk is dat niet gebeurd. Volgens Van der Gaag vond men “McDD niet autistisch genoeg” (autisme.nl). Men redeneerde dat veel MCDD-kenmerken (zoals heftige angsten en woedebuien) óók bij toen reeds erkende subtypes als Asperger konden voorkomen, waardoor een aparte categorie overbodig zou zijn (autisme.nl). Daarom bleef MCDD een informele categorie en kregen deze kinderen formeel vaak de classificatie PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified) in DSM-IV termen (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). PDD-NOS fungeerde als restcategorie binnen het autismespectrum voor gevallen die niet voldeden aan alle criteria van klassiek autisme of Asperger. Veel MCDD-kinderen vielen in de praktijk onder PDD-NOS (pmc.ncbi.nlm.nih.gov).

In de DSM-5 (2013) is het onderscheid tussen verschillende subtypes van autisme helemaal losgelaten ten gunste van één breed spectrum (ASS, autismespectrumstoornis) (kenniscentrum-kjp.nl) (kenniscentrum-kjp.nl). Daarmee bestaat er geen officiële DSM-5 code of categorie voor MCDD. Als clinici het concept nog gebruiken, wordt het vaak geschaard onder ASS (met specificatie van bijzondere kenmerken) of soms onder “Andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis” wanneer de gedachteverstoring op de voorgrond staat. In Nederland en België is de term MCDD echter nog steeds in omloop in de jeugdpsychiatrie, ondanks het ontbreken van een formele status (autisme.nl) (autisme.nl). Van der Gaag merkte in 2018 op: “Het verrast mij hoe levend het concept in Nederland nog altijd is… Ik denk dat het voor veel ouders enorm geruststellend is als de dokter zegt: ‘Wat uw kind heeft is best wel goed beschreven, dat is McDD’.” (autisme.nl) (autisme.nl) Tegelijk erkent hij dat buiten Nederland (op enkele uitzonderingen na) de diagnose nauwelijks wordt gebruikt en dat weinig internationaal onderzoek is gedaan naar MCDD (autisme.nl).

Waarom geen aparte DSM-classificatie? Samengevat komt dit doordat MCDD veel overlap vertoont met andere stoornissen en experts het niet eens werden over de afbakening. Het profiel was mogelijk te heterogeen en men vreesde “diagnostische inflatie” als ieder subtype een eigen label kreeg (autisme.nl). Bovendien bleek uit vervolgonderzoek dat een aanzienlijk deel van de MCDD-kinderen zich op latere leeftijd ontwikkelen richting een andere stoornis (zoals autisme of schizofrenie) (pmc.ncbi.nlm.nih.gov) (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). MCDD wordt daarom gezien als een tussenliggende of ‘brug’ conditie tussen autisme en een vroeg begin van schizofreniespectrum-stoornissen (pmc.ncbi.nlm.nih.gov) (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). Zo bleek in één studie dat 22% van de adolescenten en zelfs 64% van jongvolwassenen met een eerdere MCDD-diagnose op latere leeftijd voldeden aan een schizofreniespectrumstoornis (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). Dit ondersteunt het idee dat MCDD voor sommige kinderen een voorloper (prodroom) van psychose kan zijnautisme.nl. Uiteindelijk heeft de internationale psychiatrie ervoor gekozen om MCDD niet als zelfstandige categorie te definiëren, maar de kenmerken onder te brengen bij bestaande classificaties (ASS, angststoornissen, etc.).

Klinisch beeld van MCDD

Presentatie: MCDD komt doorgaans al op jonge leeftijd tot uiting. Ouders merken vaak in de peuter- of kleutertijd dat hun kind zich anders ontwikkelt (kinderneurologie.eu). Het kind is extreem gevoelig voor prikkels – bijvoorbeeld intense paniek in drukke omgevingen of onvoorspelbare woedeaanvallen zonder duidelijke reden. Een MCDD-kind is vaak voortdurend gespannen en waakzaam (alsof de wereld onveilig is) en kan door ogenschijnlijk kleine prikkels volledig van streek raken. Het zijn vaak kinderen die moeilijk troostbaar zijn: als ze bang of boos worden, gaan ze “vol gas” in die emotie en kost het veel moeite en tijd voordat ze weer kalmeren (kinderneurologie.eu).

Sociale interactie: in de omgang met anderen valt op dat deze kinderen enerzijds behoefte hebben aan veiligheid en nabijheid van een volwassene, maar anderzijds moeite hebben met echte wederkerigheid. Ouders beschrijven vaak dat hun kind hen claimt uit angst, maar tegelijkertijd moeite heeft met regels accepteren of grenzen, wat tot agressie kan leiden. Met leeftijdgenootjes spelen gaat alleen goed in zeer gestructureerde of één-op-één situaties; een drukke groep is al snel teveel prikkel en leidt tot terugtrekken of een explosie (kinderneurologie.eu). In tegenstelling tot klassiek autisme kunnen MCDD-kinderen zich soms ogenschijnlijk sociaal voordoen en bijvoorbeeld korte gesprekjes met onbekenden voeren, maar deze contacten blijven oppervlakkig. Empathie is beperkt: zij vinden het moeilijk aan te voelen wat anderen voelen (kinderneurologie.eu), omdat ze al opgeslokt worden door hun eigen interne tumult.

Denkpatroon en verbeelding: een kenmerkend aspect is hoe hun rijke fantasiewereld verstrengeld raakt met de werkelijkheid. Het kind kan overtuigd zijn dat fantasiefiguren echt bestaan (bijvoorbeeld dat een monster hen ’s nachts komt halen), en die angst is dan ook reëel aanwezig (kinderneurologie.eu). Sommige kinderen met MCDD ontwikkelen bijzondere denkbeelden of rituelen om grip te krijgen op hun chaotische innerlijke wereld. In stressvolle situaties kunnen zelfs psychotische symptomen voorkomen, zoals het horen van stemmen of denken dat men speciale krachten heeft (kinderneurologie.eu). Deze episodes zijn vaak kortdurend en komen vooral voor tijdens crises of extreme overspoeling. Het cognitief functioneren van kinderen met MCDD is meestal binnen het normale bereik (anders dan bij sommige andere ontwikkelingsstoornissen); problemen komen dus niet zozeer door verstandelijke beperkingen, maar door de chaotische informatieverwerking en angst.

Overeenkomst met en verschil t.o.v. ASS: MCDD werd oorspronkelijk als variant van PDD-NOS gezien (kinderneurologie.eu), dus het deelt kenmerken met autismespectrumstoornissen. Zowel MCDD als autisme beginnen vroeg in de ontwikkeling en beide tonen beperkingen in sociaal communiceren en in het flexibel omgaan met prikkels. Toch zijn er duidelijke verschillen. Autisme (ASS) kenmerkt zich primair door kwalitatieve beperkingen in sociale interactie en communicatie, en beperkte, repetitieve interesses/gedragingen. Bij klassiek autisme is de wederkerigheid sterk verminderd en hebben kinderen vaak weinig interesse in sociaal contact. Bij MCDD daarentegen is sociaal onvermogen niet het enige of meest prominente probleem – MCDD-kinderen willen vaak wel contact en kunnen bijvoorbeeld fantasievol spelen (iets wat klassiek autistische kinderen juist minder doen), maar ze worden gehinderd door hun extreme angst en chaotische innerlijke beleving (kinderneurologie.eu) (kinderneurologie.eu). Waar een kind met autisme moeite heeft met fantasie (weinig doen-alsof spel) en juist rigiditeit en behoefte aan voorspelbaarheid toont, ziet men bij MCDD juist overvloedig fantasiespel maar onbegrip van de grenzen ervan (kinderneurologie.eu) (kinderneurologie.eu). Ook komen de heftige panieken en quasi-psychotische symptomen bij autisme veel minder voor. Een vuistregel die soms gehanteerd wordt: MCDD = autisme + angststoornis + (milde) denkstoornis. Anders gezegd heeft een MCDD-kind zowel autistische trekken (sociale problemen) als angstige/neurotische trekken én psychose-achtige trekken. Een ASS-kind zonder MCDD zal wel sociale beperkingen en evt. angst hebben, maar geen wanen, hallucinaties of magisch denken. Bovendien is de oorzaak van sociale teruggetrokkenheid anders: bij autisme door gebrek aan sociaal inzicht en behoefte, bij MCDD vaak door angst of overweldiging. Van der Gaag verwoordde het verschil zo: “Bij kinderen met PDD-NOS staan de problemen met contact maken op de voorgrond. Bij kinderen met MCDD staan de problemen met het verwerken van prikkels en emoties op de voorgrond.” (kinderneurologie.eu).

Differentiatie met andere stoornissen: hieronder worden de belangrijkste verschillen tussen MCDD en enkele andere diagnostische beelden samengevat.

Vergelijking MCDD met ASS, ADHD, hechtingsstoornis en PTSS

In de volgende tabel worden MCDD en vier andere stoornissen die deels overlappende symptomen kunnen hebben, naast elkaar gezet ter vergelijking.

AspectMCDDAutisme (ASS)ADHDHechtingsstoornisPTSS (trauma)
OntstaansleeftijdVroege kindertijd (meestal merkbaar als peuter/kleuter) (kinderneurologie.eu).Vroege kindertijd (vaak duidelijk vóór 3e jaar).Vroege kindertijd (symptomen vaak rond 4-7 jaar duidelijk).Jonge kindertijd alleen bij pathogene zorg in eerste levensjaren (verwaarlozing, mishandeling); diagnose vaak vóór 5 jaar gesteld.Op elke leeftijd een traumatische gebeurtenis (PTSS kan zelfs bij kleuters voorkomen, of later in kinderjaren/jongeren afhankelijk van trauma).
Etiologie / oorzaakNeurobiologisch ontwikkelingstraject, precieze oorzaak onbekend; waarschijnlijk samenspel van erfelijke factoren en vroege neurobiologische kwetsbaarheid. Wordt gezien als informatie-verwerkingsstoornis in de hersenen waarbij filtering van prikkels/emoties is verstoordkinderneurologie.eu.Neurobiologisch: sterke genetische basis; afwijkende vroege hersenontwikkeling (neurale connectiviteit). Niet veroorzaakt door opvoeding.Neurobiologisch: genetische component, neurotransmitterstoornis (dopamine/noradrenaline) in frontale netwerken.Omgevingsfactoren domineren: gevolg van ernstige onveiligheid in vroege jeugd (bijv. verwaarlozing, frequent wisselen van verzorgers, mishandeling). Geen sterke genetische basis, wel kan temperament rol spelen.Externe oorzaak: blootstelling aan een of meerdere traumatische gebeurtenissen (zoals geweld, ongeval, misbruik). Het trauma leidt tot veranderingen in stress- en geheugenprocessen.
Sociale interactieOppervlakkig adequaat bij bekende volwassenen, maar geen stabiele, diepgaande wederkerigheid. Vaak ambivalent gehechtheidsgedrag: zeer aanhankelijk en controlerend naar ouders, maar tegelijk moeite met regels/afscheid (kan escaleren in woede). Met leeftijdgenoten beperkt sociaal initiatief; overprikkeling in groep leidt tot terugtrekgedrag of agressie-uitbarsting.Ernstig verminderd vermogen tot sociale interactie en communicatie. Weinig begrip voor sociale signalen, problemen in non-verbale communicatie en wederkerig gesprek. Vriendschappen komen weinig tot stand door gebrek aan sociaal inzicht of interesse.Over het algemeen niet primair sociaal beperkt: kan leeftijdgenoten opzoeken en contact maken, maar is vaak impulsief, ongeduldig of storend in sociaal contact door aandachtsproblemen. Sociale problemen bij ADHD komen meestal secundair (door impulsiviteit of frustratie) voor, niet door gebrek aan sociaal begrip.Verstoorde gehechtheid: bij reactieve hechtingsstoornis (RAD) zeer teruggetrokken en weinig troostzoekend gedrag; bij ontremde vorm (DSED) juist oppervlakkig aanhankelijk naar iedereen. Moeite met vertrouwen op volwassenen. Kind kan sociaal either kil en afstandelijk zijn (RAD) of ongepast vriendelijk/claimend (DSED), afhankelijk van subtype.Veranderd door trauma: vaak vermijden kinderen sociale situaties die herinneren aan het trauma of ze zijn juist overmatig waakzaam (hyperalert) in contact. Jonge kinderen met PTSS kunnen zich terugtrekken of vastklampen aan vertrouwde personen. Sociale ontwikkeling kan stagneren door angst en vermijding, maar er is geen primair sociaal-cognitief tekort zoals bij ASS.
EmotieregulatieZeer gebrekkig: extreme angstreacties en woede-uitbarstingen horen bij het klinisch beeldautisme.nl. Het kind raakt snel overspoeld door emoties; kleine prikkels kunnen intense paniek veroorzaken. Woede en angst treden vaak abrupt op en zijn langdurig; het kind kan zichzelf moeilijk kalmeren. Er is chronische diffuse angst op de achtergrond.Gematigd beperkt: veel ASS-kinderen vertonen onrust of angst bij veranderingen in routine of bij sensorische overprikkeling. Ze kunnen driftig of angstig worden als iets onverwachts gebeurt, maar de emotie-uitbarstingen komen meestal voort uit frustratie of sensorische overload, niet uit paniekaanvallen om vage angsten. Autistische woede (meltdown) is vaak gerelateerd aan vastlopen in een situatie, niet zozeer onvoorspelbare paniek.Frustratie-intolerantie: ADHD-kinderen kunnen driftbuien hebben, maar deze zijn meestal kortdurend en situationeel (bv. bij het niet krijgen van hun zin). Ze hebben geen voortdurende angst of paniek. Emotieregulatie is onvolgroeid, wat leidt tot impulsieve reacties, maar extreem angstige of agressieve episodes zoals bij MCDD zijn niet kenmerkend tenzij er comorbide problematiek is.Dysregulatie door onveilige start: kinderen met hechtingsstoornissen kunnen hevige woedeaanvallen of emotieloosheid tonen. Bij RAD: emotioneel teruggetrokken of ongepast gecontroleerd affect, soms plotselinge woede-uitbarstingen bij stress. Bij DSED: oppervlakkige vrolijkheid maar onderliggend vaak kwaadheid of angst die eruptief kan ontladen. Deze emotionele problemen komen voort uit gebrek aan veilige basis en traumastress. Over het algemeen is emotieregulatie zeer zwak ontwikkeld: het kind heeft geen gezonde strategieën geleerd om met stress om te gaan.Getriggerde ontregeling: kinderen met PTSS hebben doorgaans een normale emotieregulatie buiten trauma-context, maar wanneer herinneringen of prikkels hen aan het trauma doen denken, kunnen ze zeer sterke angst (paniekaanval, intens huilen, verstijven) of boosheid (“fight or flight”) vertonen. Irritabiliteit en prikkelbaarheid komen ook vaak voor, evenals schrikreacties. Emoties zijn dus vooral trauma-gerelateerd ontregeld. In veilige situaties zonder triggers kunnen ze relatief kalm functioneren, wat MCDD-kinderen meestal niet lukt door hun voortdurende interne angst.
Fantasie en realiteitsbesefGrenzen vervagen: zeer levendige fantasie, vaak een vlucht uit realiteit. Het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid is beperkt; denkbeelden en werkelijkheid lopen door elkaarkinderneurologie.eukinderneurologie.eu. Het kind kan geloven in monsters, onzichtbare wezens of magische krachten en reageert daarop alsof ze echt zijn. In stress kan kortdurend realiteitsbesef verder verstoord raken (bijv. stemmen horen of paranoïde ideeën).Weinig fantasiespel: kinderen met autisme spelen vaak op een stereotype, repetitieve manier en hebben minder doen-alsof spel. Fantasie wordt vaak vervangen door vaste interesses. Hun realiteitsbesef is doorgaans intact – hallucinaties of waanideeën behoren niet tot autisme. Ze begrijpen meestal wel wat echt is en wat niet, hoewel ze zich sterk kunnen fixeren op fantasiewerelden (zoals in games) ter escapisme, weten ze cognitief dat dit fantasie is.Normaal fantasiegebruik: ADHD-kinderen hebben doorgaans een levendige verbeelding passend bij hun leeftijd, maar weten wat echt is en wat niet. Geen structurele verwardheid tussen fantasie en realiteit. Ze kunnen dromerig of afgeleid zijn, maar niet door waanbeelden – eerder door prikkels uit de omgeving. Hallucinaties of magisch denken zijn geen onderdeel van ADHD.Geen intrinsieke verstoring in realiteitstoetsing: kinderen met hechtingsstoornis onderscheiden fantasie en realiteit op basis van hun cognitieve leeftijd. Echter, door traumatische ervaringen kunnen zij misplaatste overtuigingen hebben (bijv. “ik ben slecht” of “anderen zijn altijd gevaarlijk”). Sommige kunnen in stress dissociatieve verschijnselen tonen (afsluiten van realiteit), maar ze hebben niet het typische magische denken van MCDD.Traumatische herinneringen: over het algemeen behouden kinderen met PTSS het onderscheid tussen huidig en verleden, behalve tijdens flashbacks of traumaspel. In een flashback kan een kind even “leven” in de traumaherinnering en niet beseffen in het hier-en-nu te zijn – dit lijkt op een kort verlies van realiteitsbesef. Buiten triggers is hun fantasie/realiteitsbesef normaal voor de leeftijd. Kinderen met PTSS kunnen wel herhalend spelen alsof het trauma weer gebeurt (posttraumatisch spel), maar dit is een verwerking en geen onvermogen fantasie van realiteit te scheiden – na het spel weten ze dat het “doen alsof” was.
DSM-classificatieNiet officieel erkend in DSM-5. In DSM-IV vielen deze kinderen onder PDD-NOS (pmc.ncbi.nlm.nih.gov). Huidige praktijk: vaak diagnostisch benoemd als “ASS met MCDD-profiel” of als combinatie van ASS en angst/stemmingsproblematiek. Geen unieke code; soms gebruik van NOS-categorieën.DSM-5: Autismespectrumstoornis (ASS) (neurobiologisch ontwikkelingsstoornis). Valt onder de neuroontwikkelingsstoornissen.DSM-5: Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) (neurobiologische ontwikkelingsstoornis).DSM-5: Reactieve hechtingsstoornis (RAD) of Ontremd-sociaalcontactstoornis (DSED) – beide vallen onder Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen.DSM-5: Posttraumatische stressstoornis (PTSS) – valt onder Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen. Specifieke criteria voor kinderen <6 jaar bestaan in DSM-5 voor PTSS.
PrognoseMCDD is een ernstig beeld. Veel kinderen blijven levenslang kwetsbaar in stressregulatie. In adolescentie bestaat kans op ontwikkeling van psychotische stoornis of ernstige stemmingsstoornis(pmc.ncbi.nlm.nih.gov). Sommigen zullen beter functioneren als ze volwassen zijn, zeker met goede begeleiding, maar volledig herstel (symptomenvrij) is zeldzaam. Vaak blijft ondersteuning nodig in wonen/werken door blijvende prikkelgevoeligheid en sociale beperkingen.ASS is een levenslange conditie; prognose varieert enorm. Sommige mensen met autisme kunnen redelijk zelfstandig functioneren (zeker bij normale intelligentie en goede steun), anderen blijven ernstig beperkt. Kernsymptomen (sociale communicatieproblemen, behoefte aan structuur) blijven doorgaans bestaan, maar met leeftijd leren velen compenseren. Geen verhoogde kans op schizofrenie door autisme zelf, wél hogere kans op angst- en stemmingsstoornissen.Een deel van de kinderen “groeit over” de ergste symptomen heen naarmate de prefrontale cortex volwassener wordt, vooral impulsiviteit kan afnemen in de late adolescentie. Toch blijft bij ~2/3 een zekere mate van onoplettendheid of impulsiviteit bestaan in volwassenheid. Met behandeling (medicatie/therapie) is de prognose goed voor functieniveau; onbehandeld kan ADHD leiden tot schooluitval, middelmisbruik of antisociaal gedrag. ADHD op zich leidt niet tot psychose, maar comorbiditeit kan compliceren.Als de omgeving tijdig duurzaam verbetert (liefdevolle, stabiele opvoedsituatie), kan vooral jong geadopteerde/verplaatste kinderen nog sterk herstellen in hechtingsvermogen. Bij late of geen interventie kunnen hechtingsstoornissen overgaan in ernstige persoonlijkheidsproblemen (bijv. antisociale of borderline kenmerken) op latere leeftijd. Prognose RAD: vaak persisterende problemen in relaties en emotioneel functioneren. Prognose DSED: blijvend risicogedrag in relaties en oppervlakkige sociale contacten.Met goede trauma-gerichte behandeling is de prognose bij enkelvoudig trauma bij kinderen doorgaans goed: veel kinderen herstellen volledig van PTSSuva.nl. Bij complex trauma (meerdere langdurige traumatische ervaringen, bv. chronische mishandeling) is de prognose gematigder: er kunnen blijvende kwetsbaarheden bestaan in emotieregulatie en interpersoonlijk vertrouwen. Vroege interventie en een ondersteunende omgeving verbeteren de vooruitzichten aanzienlijk.

NB: Bovenstaande tabel vat complexe stoornissen sterk vereenvoudigd samen; individuele kinderen kunnen natuurlijk afwijken. Toch biedt het een overzicht van waar de klemtoon ligt bij MCDD vergeleken met autisme, ADHD, reactieve hechtingsstoornis en PTSS.

Kind ondergaat EMDR-therapie in een veilige omgeving
EMDR-therapie helpt kinderen met MCDD bij het verwerken van trauma’s en het verbeteren van emotieregulatie.

Behandeling van MCDD – opties, evidentie en huidige visie in de Nederlandse GGZ

Er bestaat geen officiële, apart ontwikkelde richtlijn specifiek voor MCDD, aangezien het geen erkende DSM-categorie is. In de praktijk wordt de behandeling individueel afgestemd en is gericht op de voornaamste problematiek bij het kind. Uit de literatuur en klinische ervaring in Nederland komen de volgende aanpakken als belangrijk naar voren:

  • Psycho-educatie en omgeving: ouders, leerkrachten en het kind zelf (als het oud genoeg is) krijgen uitleg over de problematiek. Nadruk ligt op het niet-verwijtend benaderen van het gedrag: angst, paniek en ontregeling bij MCDD zijn symptomen van een stoornis in de prikkel- en emotieverwerking, geen onwil. Het creëren van een gestructureerde, prikkelarme en veilige omgeving is stap één. Ouders worden ondersteund om zeer voorspelbaar te zijn in hun benadering en om het kind houvast te geven. “Beschikbaarheid” van een volwassene – d.w.z. het kind moet weten en voelen dat er altijd iemand is die hem/haar begrijpt en helpt – is cruciaal (autisme.nl) (autisme.nl). Van der Gaag stelt zelfs: “Misschien is de allerbeste behandeling van McDD wel beschikbaarheid van een arts of psycholoog met een gedegen en open benadering van ontwikkelingsstoornissen.” (autisme.nl) Dit onderstreept het belang van langdurige, betrouwbare begeleiding. Praktisch betekent dit vaak dat hulpverleners en ouders een crisisplan klaar hebben liggen, snelle bereikbaarheid bieden in nood en het kind niet telkens van behandelaar wisselt.
  • Cognitieve gedragstherapie (CGT): Hoewel klassieke traumatherapie niet van toepassing is (er is meestal geen specifiek trauma als oorzaak), kunnen CGT-technieken helpen bij emotieregulatie. In Nederland zijn bijvoorbeeld trainingen als “Baas over boos” en “Baas over bang” ontwikkeld, waarin kinderen stap voor stap leren hun boosheid en angstsignalen te herkennen en hier beter mee om te gaan (autisme.nl). Deze programma’s leren ook aan ouders hoe ze hun kind kunnen coachen bij spanning. Omdat MCDD-kinderen vaak jong zijn of een lagere emotionele leeftijd hebben, worden technieken speels en visueel aangeboden (bijv. met poppetjes voor gevoelens, stoplicht-methoden voor woede, etc.).
  • Farmacotherapie: Medicatie wordt bij MCDD regelmatig ingezet als ondersteuning, hoewel er geen medicijn is dat MCDD “geneest”. Afhankelijk van de belangrijkste symptomen kan de kinder- en jeugdpsychiater bijvoorbeeld een SSRI voorschrijven (om de chronische angst en spanning te verlagen), een antipsychoticum in lage dosering (voor ernstige denkstoornissen of extreme agressie/impulsdoorbraken), of een stimulantium als er ook sterke ADHD-achtige concentratieproblemen zijn. Van der Gaag gebruikte de metafoor dat medicatie soms kan werken als “lood in de kiel” van een schip: het maakt het kind stabieler zodat het niet bij elke golf kapseist (autisme.nl). Antipsychotica (zoals risperidon) worden in de praktijk nogal eens toegepast bij deze kinderen om extreme angst/psychotische symptomen en agressie te dempen, hoewel men terughoudend is vanwege bijwerkingen bij jongeren. Er is beperkte wetenschappelijke literatuur specifiek over medicamenteuze behandeling van MCDD; de keuzes zijn vooral gebaseerd op ervaring en op wat men ook bij ASS of angststoornissen doet.
  • Therapievormen gericht op comorbiditeit: Aangezien MCDD een complex beeld is, hebben deze kinderen vaak ook overlappende of comorbide diagnosen (zoals ADHD, OCD-achtige dwangrituelen, stemmingsstoornis, etc.). Behandelingen die voor die stoornissen effectief zijn, kunnen bij MCDD ook geprobeerd worden, mits aangepast aan het niveau van het kind. Bijvoorbeeld, als een MCDD-kind ook voldoet aan criteria van ASS, zal men autisme-begeleiding inzetten (communicatie-ondersteuning, sociale vaardigheidstraining op maat, enzovoort). Bij sterke dwangklachten kan cognitieve therapie of exposure helpen. Belangrijk is echter dat de behandelaar altijd het totaalplaatje overziet – één van de valkuilen is om deelproblemen los van elkaar te behandelen. Van der Gaag waarschuwde hier expliciet voor: “Niet zeggen: ik zie wat autistische trekken dus we doen een beetje autismeprogramma, en ik zie ook iets van een angststoornis dus dat pakken we ook apart aan… Dat is totaal zinloos.” (autisme.nl). Integratie is nodig: uitzoeken hoe de symptomen samenhangen en in welke situaties ze optreden, zodat behandeling op de persoon afgestemd wordt.
  • Ondersteuning gezin en school: Omdat MCDD het functioneren op alle levensdomeinen beïnvloedt, is systemische hulp belangrijk. Ouderbegeleiding, gezinstherapie of intensieve thuisbehandeling kan nodig zijn om patronen te doorbreken (bijvoorbeeld ouders leren niet alle prikkels te vermijden voor hun kind, maar het kind gradueel weerbaar te maken). Op school zijn aanpassingen cruciaal: vaak een prikkelarme omgeving, duidelijk voorspelbaar dagprogramma, eventueel speciaal onderwijs. In Nederland worden MCDD-kinderen niet zelden in speciale scholen (bijv. cluster 4) geplaatst waar kleiner aanbod en expertises aanwezig zijn. Sommige regio’s hebben ook specifieke dagbehandelingsgroepen voor kinderen met “autisme met internaliserende problematiek (MCDD-profiel)”.

Wetenschappelijke evidentie: Zoals Wouter Staal opmerkte, is het internationale onderzoek naar MCDD schaarsautisme.nl. Er zijn geen grootschalige RCT’s die één behandelprotocol voor MCDD toetsen. De behandeling leunt daarom op expert-opinion en op kennis uit verwante stoornissen. Een deel van de experts beschouwt MCDD-kinderen als een subgroep van ASS en volgt in grote lijnen de autismestandaard, aangevuld met angst- of gedragstherapie. Anderen leggen de link met vroege onset psychose en behandelen soms agressiever met antipsychotica of zetten sterk in op preventie van psychotische decompensatie. Uit een literatuuroverzicht blijkt dat angststoornissen en gedragsstoornissen bij MCDD vaker voorkomen dan bij “regulier” ASS, wat rechtvaardigt om ook deze componenten te behandelen (pubmed.ncbi.nlm.nih.gov) (pubmed.ncbi.nlm.nih.gov). Bijvoorbeeld, De Bruin et al. (2007) vonden dat kinderen met MCDD significant meer psychotische gedachten en disruptief gedrag lieten zien dan PDD-NOS kinderen zonder MCDD-profiel (pubmed.ncbi.nlm.nih.gov). Zulke bevindingen ondersteunen een gecombineerde aanpak.

Huidige visie in de Nederlandse jeugd-GGZ: In Nederland herkennen kinderpsychiaters MCDD veelal als nuttig beschrijvend concept, maar men realiseert zich dat strikt diagnostisch de DSM-5 categorie ASS meestal volstaat, met specifiëring van angst en stemmingsproblemen. Er is enige discussie: heeft het zin de term MCDD te behouden? Ouders en sommige professionals vinden van wel, omdat het gedrag van hun kind hierin beter wordt begrepen en erkend. Het kan opluchten om te horen “uw kind past in dit profiel, u bent niet de enige met zo’n kind”. Tegenstanders zeggen dat MCDD geen toegevoegde waarde heeft, omdat het toch neerkomt op “autisme + angst + evt. beginnende psychose” en dat je die onderdelen ook afzonderlijk kunt adresseren. Zoals Van der Gaag het stelde: het is belangrijker dat we het individu behandelen dan dat we energie steken in het perfecte label (autisme.nl) (autisme.nl). In de praktijk ziet men dat de term MCDD met name door oudere generatie clinici en gespecialiseerde centra (Karakter, Levvel e.a.) nog gebruikt wordt en onderling begrepen wordt, terwijl jongere professionals meer geneigd zijn gewoon van ASS te spreken met vermelding van specifiek profiel. Toch staat MCDD expliciet beschreven in recente Nederlandse vakpublicaties en ouderinformatie, dus het blijft een concept in gebruik in 2025.

Wat is EMDR? – Beschrijving, indicaties en toepassingsgebied

EMDR staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Het is een vorm van psychotherapie ontwikkeld eind jaren ’80 door de Amerikaanse psychologe Francine Shapiro (jeugdpsychiatrie.nl). EMDR is oorspronkelijk ontworpen om mensen te helpen bij het verwerken van traumatische herinneringen en de daarbij horende intense emoties en negatieve overtuigingen. Indicatie nummer 1 is dan ook de posttraumatische stressstoornis (PTSS) – EMDR heeft internationale bekendheid verworven als een snelle en effectieve behandeling voor traumagerelateerde klachten bij volwassenen én kinderen (jeugdpsychiatrie.nl). Voorbeelden van situaties waarbij EMDR wordt ingezet: een kind dat een verkeersongeluk of geweld heeft meegemaakt en last heeft van herbelevingen, nachtmerries en schrikreacties, of een volwassene met PTSS na bijvoorbeeld oorlogstrauma.

In de loop der jaren is het toepassingsgebied van EMDR echter verbreed. Therapeuten zijn EMDR ook gaan gebruiken bij andere problemen zoals complexe rouw, fobieën, chronische pijn, en zelfs angststoornissen of depressies zonder duidelijk enkelvoudig trauma. In de klinische praktijk in Nederland ziet men EMDR bijvoorbeeld toegepast bij kinderen met angst voor de tandarts (als er een nare ervaring aan ten grondslag ligt), bij volwassenen met een verdrongen jeugdtrauma dat bij therapie bovenkomt, of bij een kind met hechtingsproblematiek dat nare herinneringen heeft aan mishandeling. Belangrijk: de wetenschappelijke onderbouwing voor EMDR buiten het terrein van PTSS is zwak (daarover meer in een later kopje). Richtlijnen beschouwen EMDR primair als behandeloptie voor PTSS en niet standaard voor bijv. “losse” angststoornissen zonder trauma (tijdschriftgedragstherapie.nl) (tijdschriftgedragstherapie.nl).

Hoe werkt EMDR in de praktijk? De kern van EMDR is het koppelen van de herinnering aan een nare ervaring aan een vorm van bilaterale stimulatie (afleiding links-rechts). Klassiek gebeurt dit door het maken van oogbewegingen: de therapeut laat de cliënt zijn vinger volgen die hij heen en weer beweegt voor de ogen (jeugdpsychiatrie.nl). Bij kinderen gebruikt men ook vaak andere vormen van bilaterale stimulatie, zoals geluidstonen afwisselend links en rechts via een koptelefoon, of tikjes (tapping) op de knieën of handen van het kind (links, rechts, links, rechts…). Terwijl deze stimulatie plaatsvindt, vraagt de therapeut de cliënt om aan de traumatische gebeurtenis te denken – meestal wordt gevraagd een levendig beeld van het meest angstige moment voor de geest te halen, inclusief de bijbehorende gedachte (“ik ben in gevaar” bijvoorbeeld) en het gevoel in het lijf (bv. spanning, hartkloppingen). Dan volgt een serie oogbewegingen of tikken. Daarna stopt de therapeut even en vraagt: “Wat komt er nu in je op?” De cliënt hoeft niet gedetailleerd over het trauma te praten, hij/zij vermeldt alleen welke beeld, gedachte of gevoel nu opkomt. Dan volgt weer een sets oogbewegingen. Zo worden stap voor stap de emotionele lading en de overtuigingen rond de herinnering “verwerkt”. Het doel is dat de traumatische herinnering haar kracht en emotionele heftigheid verliest. Vaak merkt de cliënt na een aantal reeksen dat de herinnering steeds vager wordt of minder emotie oproept, of dat er spontaan een andere, meer aangepaste gedachte opkomt (bijv. “het is voorbij, ik ben nu veilig”). EMDR-sessies bij kinderen worden doorgaans kort gehouden (bv. 20-30 minuten effectieve verwerking per sessie, afhankelijk van leeftijd) en verweven met speelse elementen om het kind op zijn gemak te stellen.

Toepassing bij kinderen en adolescenten: EMDR wordt ook in Nederland veel toegepast bij kinderen vanaf zeer jonge leeftijd. Er zijn gespecialiseerde kinderpsychologen en –psychiaters die EMDR bij kleuters (3-6 jaar) toepassen, vaak met behulp van spelmateriaal (bijv. toverstafje om te volgen met ogen, poppetjes om het trauma mee na te spelen, enz.). Bij jonge kinderen wordt bijna altijd de ouder als veilige basis betrokken tijdens de sessie (emdrkindenjeugd.nl). EMDR Nederland heeft protocollen ontwikkeld voor verschillende leeftijden (bv. <6, 6-12, pubers). De indicaties bij kinderen zijn meestal PTSS na ongevallen, medische behandelingen (bv. prikangst door traumatische ziekenhuisopname), verlies of getuige zijn van schokkende gebeurtenissen, evenals kindermishandeling en seksueel misbruik. Ook bij complex trauma (meervoudige traumata, vaak in context van mishandeling/oorlog) kan EMDR onderdeel zijn van een breder behandelplan, hoewel in zulke gevallen vaak trauma-focused cognitieve gedragstherapie (TF-CGT) de eerste voorkeur heeft of gecombineerd wordt met EMDR.

Kortom, EMDR is een evidence-based traumatherapie die zich kenmerkt door het simultaan oproepen van herinneringen en aanbieden van afleidende prikkels. Het wordt vooral ingezet voor PTSS, maar ook wel breder, zij het dan op geleide van klinisch oordeel.

Werkingsmechanisme van EMDR bij kinderen en adolescenten

Hoe EMDR precies werkt, is nog onderwerp van onderzoek. Francine Shapiro zelf kwam met de Adaptive Information Processing (AIP)-theorie: volgens haar helpt EMDR om vastgelopen, “onafgehechte” traumatische herinneringen alsnog adaptief te verwerken door stimulatie van het natuurlijke verwerkingssysteem in de hersenen. Een meer hedendaagse verklaring, die ook veel steun heeft, is de werkgeheugenhypothese. Deze theorie gaat als volgt: Als we aan een zeer traumatische herinnering denken, komt die vaak levensecht en met volle emotionele lading omhoog. Dat neemt veel werkgeheugencapaciteit in beslag (beelden, emoties, lichaamsgevoelens nemen onze aandacht volledig over) (emdrtherapeuten.nl). Wanneer je tegelijkertijd je aandacht moet verdelen – bijvoorbeeld door snel bewegende vingers te volgen met je ogen – dan verdeel je de werkgeheugencapaciteit over twee taken. Door deze “dual task” wordt de traumatische voorstelling minder scherp en emotioneel, omdat er simpelweg minder mentale bandbreedte is om de angst in volle kracht te laten bestaan (emdrtherapeuten.nl). Het gevolg is dat de herinnering in het brein opnieuw opgeslagen wordt in minder beladen vorm. Bij elke set oogbewegingen neemt de levendigheid en emotionele intensiteit verder af, waardoor het kind langzaamaan rustiger op de herinnering kan terugkijken. Dit geeft ruimte om nieuwe gedachten over de gebeurtenis te vormen (bijvoorbeeld “het was erg, maar ik heb het overleefd” in plaats van “ik ga dood”) (emdrtherapeuten.nl).

Naast deze werkgeheugenverklaring zijn er nog andere hypotheses: sommigen vergelijken het effect van de oogbewegingen met REM-slaap (droomslaap waarin ook oogbewegingen voorkomen en verwerkte herinneringen worden opgeslagen). Er is ook bewijs dat bilaterale stimulatie het parasympatisch zenuwstelsel activeert, wat zorgt voor fysiologische ontspanning – dit kan helpen de angstrespons te dempen tijdens het herinneren. Bij kinderen ziet men geregeld dat EMDR hun associatief geheugen activeert: tijdens de sessies springen ze van de hak op de tak (“nu moet ik ineens denken aan…”). Dit is gewenst, omdat het brein zo associaties kan maken en het trauma in een breder, minder bedreigend perspectief plaatst. Hoewel het precieze neurobiologische mechanisme nog niet volledig opgehelderd is (er zijn aanwijzingen richting veranderingen in de amygdala-activiteit en hippocampusfunctie bij post-EMDR scans), is het werkingsmechanisme deels duidelijk: de combinatie van concentratie op traumatische beelden met een gelijktijdige afleidende stimulus leidt tot versnelde verwerking en afname van emotionele lading (emdrtherapeuten.nl). In lekentaal zegt men wel: “EMDR zorgt ervoor dat de scherpe randjes van een nare herinnering eraf gaan.”

Bij kinderen en jongeren verloopt dit mechanisme in principe hetzelfde als bij volwassenen. Wel hebben kinderen vaak een kortere concentratiespanne, dus de sets oogbewegingen zijn korter en er wordt sneller pauze gehouden. Kinderen zijn ook vatbaarder voor imaginatieve technieken: ze kunnen bijvoorbeeld tijdens EMDR een “veilige plek” visualiseren of zich voorstellen dat ze een superkracht hebben die hen beschermt, wat geïntegreerd wordt in de procedure. De flexibiliteit en creativiteit van het kinderbrein maakt soms dat EMDR verrassend snel effect heeft – jonge kinderen kunnen soms in één of twee sessies al van hun nachtmerries af zijn, daar waar volwassenen meer sessies nodig hebbenuva.nl. Een mogelijke verklaring is dat kinderen nog minder rigide cognitieve schema’s hebben, waardoor nieuwe inzichten (“het was niet mijn schuld”, “ik ben nu veilig”) makkelijker worden aangenomen tijdens de EMDR.

Samengevat: EMDR activeert bij kinderen het natuurlijke verwerkingssysteem door het werkgeheugen te belasten en zo de traumaherinnering te “verzwakken” terwijl deze opnieuw opgeslagen wordt. Het werkt via aandachtsspelen en is daarom bij jeugd vaak ingebed in spel of visualisatie, maar het neuropsychologische principe is gelijk aan dat bij volwassenen.

Evidentie en effectiviteit van EMDR – status in trauma- en hechtingsgerelateerde stoornissen

EMDR is tegenwoordig een van de meest onderzochte psychotherapeutische interventies. Met name voor PTSS (posttraumatische stressstoornis) is de evidentie sterk. Diverse meta-analyses en internationale richtlijnen onderschrijven EMDR als evidence-based behandeling voor acute én chronische PTSS, zowel bij volwassenen als bij kinderen (tijdschriftgedragstherapie.nl). In de praktijk geldt in Nederland (en veel andere landen) dat bij een kind of volwassene met PTSS de eerste-keus behandeling ófwel trauma-gerichte cognitieve gedragstherapie (zoals Imaginaire Exposure of TF-CGT) óf EMDR is (kennisnet.vgct.nl). Beide zijn ongeveer even effectief gebleken voor enkelvoudige trauma’s bij kinderen (kennisnet.vgct.nl). Zo promoveerde Carlijn de Roos in 2018 op onderzoek waaruit bleek dat ook bij kinderen met PTSS na één trauma EMDR heel snel resultaat kan geven (soms binnen 4 sessies) (uva.nl). In deze studie was EMDR even effectief als CBT, maar iets efficiënter in tijd. Dergelijke bevindingen hebben ertoe geleid dat bijvoorbeeld de NICE-guideline (UK) en de Nederlandse multidisciplinaire richtlijn voor angststoornissen/PTSS (2017) EMDR noemen als een van de frontlinietherapieën voor PTSS bij jeugd.

Wanneer we echter kijken naar andere stoornissen dan PTSS, wordt het beeld heel anders. In de kliniek is men creatief geweest en heeft EMDR toegepast bij uiteenlopende problemen – van fobieën tot verslaving, van eetstoornissen tot persoonlijkheidsproblematiek – vaak met de gedachte “als er maar een nare herinnering of kernopvatting aan te pakken is, laten we EMDR proberen”. Een uitgebreid literatuuroverzicht (Meyerbröker et al., 2019) bekeek de effectiviteit van EMDR bij andere stoornissen dan PTSS. Conclusie: “EMDR is tot op heden niet effectief gebleken bij andere stoornissen dan PTSS,” op basis van het beschikbare onderzoek (tijdschriftgedragstherapie.nl). Er zijn wel enkele kleinschalige studies met positieve effecten, maar die bewijslast is beperkt en fragmentarisch (tijdschriftgedragstherapie.nl). Met andere woorden, buiten het domein van psychotrauma is EMDR (nog) niet een bewezen behandeling. Zo zijn er bijvoorbeeld onderzoeken geprobeerd naar EMDR bij paniekstoornis of depressie; soms zag men een klein effect, maar vaak was er geen verbetering ten opzichte van controlebehandelingen (tijdschriftgedragstherapie.nl). Daarom stellen de auteurs dat EMDR voorlopig alleen geïndiceerd is bij PTSS (tijdschriftgedragstherapie.nl).

Een uitzondering vormt mogelijk het gebied van “trauma-gerelateerde” stoornissen. Daarmee bedoelen we problemen die weliswaar niet officieel PTSS heten, maar wél voortkomen uit nare levenservaringen. Denk aan complexe PTSS (cPTSS) of hechtingsstoornissen door vroegkinderlijk trauma. Bij complexe PTSS, wat vaak samenhangt met chronische kindermishandeling of misbruik, is alleen EMDR monotherapie meestal onvoldoende, maar EMDR kan onderdeel zijn van een fasegerichte behandeling (na stabilisatie, meerdere trauma’s stapsgewijs verwerken). Er is enig empirisch bewijs dat EMDR ook bij kinderen met meervoudig trauma symptomen kan verminderen, zij het dat het aantal benodigde sessies dan hoger ligt en dat het gecombineerd moet worden met bijv. stabilisatietraining.

Hechtingsstoornissen specifiek (RAD/DSED): hiervoor is geen standaard dat EMDR effectief zou zijn om de hechtingsproblematiek zelf op te heffen – want de kern hiervan is een relationeel probleem, op te lossen via nieuwe ervaringen in relaties. Toch kan EMDR ook hier een rol spelen: veel kinderen met hechtingsproblemen hebben traumatische ervaringen (verwaarlozing, geweld) opgelopen; door die herinneringen te verwerken met EMDR kun je mogelijk de emotionele lading ervan verminderen, waardoor het kind zich veiliger kan voelen in nieuwe relaties. Er is echter nauwelijks hard onderzoek naar EMDR bij hechtingsstoornissen. Anecdotisch zijn er therapeuten die verbeteringen zien in het gedrag van bijvoorbeeld een pleegkind na EMDR op diens vroegkinderlijke trauma’s – het kind wordt dan minder angstig en agressief, wat ruimte schept voor hechting. Maar nogmaals, dit is geen rechtstreeks effect op de hechting, meer op de onderliggende trauma’s. De evidence-based status is dus: EMDR = bewezen effectief bij PTSS (ook bij kinderen) (tijdschriftgedragstherapie.nl) ; voor andere diagnoses is de wetenschappelijke onderbouwing afwezig of zeer minimaal, waardoor EMDR daar alleen experimenteel of aanvullend toegepast zou moeten worden en niet als standaardbehandeling.

Voor- en nadelen van EMDR bij kinderen met complexe problematiek zoals MCDD

Gegeven het bovenstaande rijst de vraag: is EMDR zinvol bij kinderen met een complex beeld als MCDD? MCDD-kinderen hebben geen PTSS-diagnose tenzij ze toevallig ook een trauma hebben meegemaakt, maar ze vertonen wel extreme angst en soms agressie. Kan EMDR daarvoor helpen, of brengt het risico’s mee? We bekijken hier de potentiële voordelen en nadelen.

Mogelijke voordelen:

  • Gericht traumaverwerking: Sommige MCDD-kinderen hebben wel degelijk (kleine of grote) traumatische ervaringen in hun leven opgedaan, bijvoorbeeld pesterijen, psychiatrische opnames, heftige conflicten in het gezin, etc. Als dergelijke ervaringen een rol spelen in hun klachten (bijv. flashbacks of specifieke triggers), kan EMDR helpen die specifieke herinnering te verwerken. Bijvoorbeeld: een MCDD-kind dat ooit is weggelopen en iets angstaanjagends meemaakte kan nachtmerries hebben; EMDR zou die nachtmerrie kunnen doen verdwijnen, wat algeheel de angstbelasting vermindert.
  • Snel resultaat op specifieke angst: In tegenstelling tot praattherapie vereist EMDR niet dat een kind langdurig en verbaal stilstaat bij gevoelens. Dit kan een voordeel zijn voor kinderen die praten moeilijk vinden (denk aan autistische kenmerken of jonge leeftijd). EMDR-sessies zijn relatief kort en gestructureerd. Als een MCDD-kind bijvoorbeeld een specifieke fobie heeft ontwikkeld (bv. voor dokters door een nare prikervaring), kan EMDR die ene angst wellicht vrij snel verminderen, wat de zorg voor het kind vergemakkelijkt. EMDR kan dus gericht een deelprobleem aanpakken (zoals een afzonderlijke traumatische herinnering) binnen de complexere problematiek.
  • Weinig belastend taalgebruik: Kinderen met complexe ontwikkelingsstoornissen raken soms overprikkeld door lange gesprekken of introspectie. EMDR daarentegen vraagt vooral om beelden oproepen en is daardoor visueel/non-verbaal van aard. Een kind hoeft niet exact onder woorden te brengen wat het voelt of waarom, het volstaat als het bijvoorbeeld “die enge herinnering van toen” in gedachten neemt. Voor sommige kinderen met MCDD (vooral zij met meer autistische kenmerken) kan dit prettig zijn – zij hoeven niet naar abstract over gevoelens te praten, iets wat voor hen lastig is.
  • Veiligheid en controle: Goed uitgevoerde EMDR bij kinderen houdt rekening met veilige afstand. De therapeut zal eerst veel stabilisatie doen (bijv. een “veilige plek” laten bedenken) voordat de echt beladen herinnering aangeraakt wordt. Het kind mag ook altijd pauzeren. Voor kinderen die zich snel overspoeld voelen (zoals bij MCDD), kan deze gecontroleerde setting een manier zijn om stap voor stap iets engs onder ogen te zien, terwijl ze in het hier-en-nu blijven. Zo leren ze mogelijk dat ze een enge herinnering kunnen verdragen zonder volledig in paniek te schieten – een waardevolle ervaring voor iemand die snel de greep verliest op emoties.
  • Geen detailherbeleving nodig: Zoals genoemd, hoeft een kind de traumatische gebeurtenis niet gedetailleerd na te vertellen bij EMDR. Dit kan een voordeel zijn bij kinderen die traumatische ervaringen hebben waar ze zich voor schamen of die ze moeilijk onder woorden kunnen brengen (denk aan seksueel misbruik of huiselijk geweld). In plaats van alles hardop te bespreken (zoals vaak bij exposure-therapie moet), kan EMDR “via de achterdeur” werken – het verwerkingsproces gebeurt intern. Voor kinderen met complexe problematiek die mogelijk wantrouwig zijn naar volwassenen, is het fijn dat ze niet alles hoeven prijs te geven om toch geholpen te worden.

Samengevat kan EMDR in een aantal gevallen nuttig zijn bij MCDD of soortgelijke complexe gevallen, namelijk wanneer er identificeerbare traumatische ervaringen of angsten zijn die behandeld kunnen worden. Het kan dan relatief snel verlichting geven en het kind bevrijden van bijvoorbeeld constante herbelevingen of specifieke fobieën, zodat daarna verdere behandeling (zoals leren omgaan met prikkels) minder belemmerd wordt door die traumalast.

Mogelijke nadelen en risico’s:

  • Intensiteit en ontregeling: EMDR kan heftige emotionele reacties oproepen (jeugdpsychiatrie.nl). Voor een kind dat al moeite heeft met emotieregulatie (zoals MCDD) is dit een punt van zorg. Tijdens EMDR herbeleeft het kind in gedachten het trauma – dit kan tijdelijk zeer stressvol zijn. Er is kans op overspoeling en meltdown tijdens of na de sessie, vooral als het kind nog niet voldoende stabilisatievaardigheden heeft. In de praktijk ziet men wel eens dat kwetsbare kinderen na een EMDR-sessie meer ontregeld raken voor een paar dagen (slechter slapen, prikkelbaarder) voordat ze beter worden. Bij MCDD, waar de basisrust al broos is, moet een behandelaar dit zeer voorzichtig doseren. In extreme gevallen kan EMDR mogelijk een psychotische decompensatie uitlokken bij iemand die daar gevoelig voor is (er zijn gevallen beschreven van patiënten met borderline of dissociatieve stoornissen die dissociatief ontregelden bij te snelle traumaverwerking). MCDD-kinderen met realiteitsverlies-symptomen zouden eerst voldoende gronding moeten hebben.
  • Niet bij iedereen geschikt: EMDR vereist dat het kind zich kan concentreren op een target-herinnering en onderscheid kan maken tussen nu en toen. Bij sommige kinderen met ernstige MCDD lukt dit niet: ze zijn te chaotisch of hebben geen duidelijk te pinpointen herinnering (hun angst is diffuus en constant aanwezig, niet gekoppeld aan een bepaalde gebeurtenis). Ook moeten ze in staat zijn om instructies te volgen (oogbewegingen maken, stopteken geven als het niet gaat, etc.). Bij ernstige cognitieve beperkingen of autistische rigiditeit kan dit lastig zijn. Bovendien is EMDR niet aangewezen bij ongecontroleerde dissociatie of wanneer een kind geen veilig netwerk heeft om op terug te vallen na de sessie (jeugdpsychiatrie.nl). Als bijvoorbeeld een kind na EMDR teruggaat in een drukke omgeving zonder opvang, kan het riskant zijn.
  • Focus op trauma vs. bredere problematiek: Een belangrijk nadeel kan zijn dat EMDR slechts een deel van het probleem aanpakt – namelijk de verwerking van herinneringen – terwijl MCDD een veelomvattende ontwikkelingsstoornis is. Stel dat we bij een MCDD-kind EMDR doen op een pestervaring. Misschien vermindert dat de specifieke angst voor pesters, maar het kind heeft nog steeds de onderliggende prikkelverwerkingsproblemen, autismetrekken, enz. Er is een risico dat ouders of hulpverleners te hoge verwachtingen krijgen (“we doen EMDR en dan is hij van zijn woedeaanvallen af”), terwijl de realiteit is dat zonder brede aanpak de winst beperkt blijft. EMDR is geen wondermiddel dat de complexe oorzaak van MCDD wegneemt; het kan hooguit symptomen rondom trauma verlichten.
  • Therapeutische relatie en vertrouwen: Kinderen met MCDD kunnen moeite hebben met vertrouwen en controle. EMDR vraagt dat ze tijdelijk hun meest angstige ervaringen “laten omhoog komen” in aanwezigheid van de therapeut. Als de timing of vertrouwensband niet goed is, kan dit contraproductief zijn – het kind voelt zich overweldigd en onveilig en haakt af van verdere therapie. Daartegenover staat dat een goed opgebouwde vertrouwensrelatie EMDR juist kan versterken, maar dit moet per individu worden ingeschat. Complexe kids hebben soms eerst langere tijd stabilisatie en relatie-opbouw nodig voordat zoiets als EMDR mogelijk is.
  • Medische beperkingen: Hoewel zeldzaam, moet men rekening houden met fysieke aspecten: oogbewegingen kunnen bij sommige neurologische aandoeningen of oogproblemen lastig zijn (jeugdpsychiatrie.nl). Ook als een kind medicatie gebruikt die bewustzijnsniveau beïnvloedt (bijv. zware kalmering), kan dit het EMDR-proces verstoren. Deze zijn echter meestal geen groot obstakel mits alternatief (tappen of geluid) wordt gekozen.

Voorbeeld ter illustratie: Stel een 10-jarige jongen met MCDD heeft naast zijn dagelijkse angsten ook een trauma: hij is als kleuter bijna verdronken en heeft sindsdien paniek bij water. Deze specifieke waterfobie zou met EMDR mogelijk behandeld kunnen worden – voordeel: hij kan weer meedoen met zwemlessen. Maar tijdens EMDR komt wellicht alle paniek omhoog; gezien zijn MCDD kan hij daarna een week van slag zijn, slecht slapen en extra prikkelbaar. Dit moet het behandelteam incalculeren en opvangen (bijv. EMDR in klinische setting doen, rust daarna inbouwen). Ook lost EMDR zijn sociale problemen op school niet op, dus daar moet apart aan gewerkt blijven worden. Zo’n voorbeeld laat zien dat EMDR bruikbaar kan zijn als onderdeel van een breder plan, maar zorgvuldig ingezet moet worden bij complexe kinderen.

Conclusie: EMDR bij kinderen met complexe ontwikkelingsstoornissen als MCDD kent zowel kansen als beperkingen. Als er sprake is van duidelijke traumatische ervaringen die bijdragen aan het probleemgedrag, kan EMDR een waardevolle module zijn om die last weg te nemen, waarna het kind mogelijk beter profiteert van andere begeleidingsvormen. De literatuur ondersteunt het gebruik van EMDR buiten PTSS echter niet sterk, dus het blijft in zulke situaties expert-driven maatwerk. Belangrijk is te waken voor overschatting: EMDR is geen integrale behandeling voor MCDD op zich, hooguit een techniek om bepaalde traumagerelateerde stukken te verlichten. Nederlandse experts raden aan EMDR binnen de context van een multidisciplinaire aanpak toe te passen en alleen als het kind voldoende stabiel is (tijdschriftgedragstherapie.nl) (tijdschriftgedragstherapie.nl). Hierbij moet men goed de voor- en nadelen afwegen en alle betrokkenen (ouders, school) voorbereiden op mogelijke reacties. Wanneer zorgvuldig uitgevoerd, kan EMDR dan een versneller van herstel zijn op specifieke punten, terwijl de basisbehandeling van MCDD blijft bestaan uit begeleiding, training en ondersteuning op lange termijn.

Bronnen: Dit dossier is samengesteld op basis van actuele literatuur, Nederlandse richtlijnen en expertinterviews, waaronder inzichten van Van der Gaag & Staal (autisme.nlautisme.nl), het Kinderneurologie kennisartikel over MCDD (kinderneurologie.eu) (kinderneurologie.eu), de traumazorgstandaarden (EMDR) (tijdschriftgedragstherapie.nl) (tijdschriftgedragstherapie.nl) en verschillende andere genoemde bronnen. Deze zijn referentieel vermeld om de accuraatheid en actualiteit van de informatie te ondersteunen.


📚 Gebruikte Bronnen en Referenties

  1. Trimbos-instituut – Kenniscentrum voor mentale gezondheid
    Website: www.trimbos.nl
    Relevantie: Het Trimbos-instituut biedt betrouwbare informatie over psychische aandoeningen bij kinderen en adolescenten. De definities van MCDD, hechtingsstoornissen en PTSS zijn mede gebaseerd op inhoud van deze site, waaronder hun overzichtspagina’s over jeugd-ggz, trauma en ontwikkelingsstoornissen.
  2. Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie
    Website: www.kenniscentrum-kjp.nl
    Relevantie: Deze bron werd gebruikt om actuele inzichten en differentiaties tussen MCDD, ASS en ADHD te onderbouwen. Vooral de pagina’s over “ASS met MCDD-profiel” en “traumasensitieve hulp” waren relevant voor de inhoudelijke analyse en behandelvisies.
  3. DSM-5 – Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 5e editie
    Website: www.psychiatry.org/psychiatrists/practice/dsm
    Relevantie: De formele classificaties van ASS, ADHD, hechtingsstoornissen en PTSS zijn gebaseerd op de DSM-5. MCDD is geen officiële DSM-5-classificatie, wat in het artikel correct is weergegeven.
  4. EMDR Nederland – Vereniging voor EMDR-therapeuten
    Website: www.emdr.nl
    Relevantie: Voor de duiding van EMDR als behandelmethode voor trauma bij kinderen werd gebruikgemaakt van inhoud van deze website. Belangrijk voor de koppeling met PTSS en complex trauma, en de overwegingen bij toepassing bij kinderen met bijvoorbeeld MCDD.
  5. Nederlands Jeugdinstituut (NJi)
    Website: www.nji.nl
    Relevantie: De ontwikkelingsaspecten van kinderen, de rol van hechting en de invloed van omgevingsfactoren zijn met behulp van deze site beschreven. NJi biedt praktijkgerichte informatie die aansluit bij de dagelijkse toepassing binnen zorg, onderwijs en jeugdhulp.
  6. Balans Digitaal – Oudervereniging Balans voor kinderen met ontwikkelingsstoornissen
    Website: www.balansdigitaal.nl
    Relevantie: Gebruikt ter aanvulling op symptomen zoals emotieregulatie, fantasiegebruik en realiteitsbesef bij kinderen met MCDD of vergelijkbare problematiek. Geeft ook ervaringsinformatie vanuit het perspectief van ouders en opvoeders.
  7. Tijdschrift voor Orthopedagogiek – diverse artikelen (oa. over MCDD en hechtingsstoornissen)
    Website: www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl
    Relevantie: Voor verdieping in diagnostiek en de overlap tussen ontwikkelingsstoornissen zoals ASS, hechtingsstoornissen en trauma. Artikelen over de geschiedenis van MCDD en positionering binnen de jeugd-ggz vormden een inhoudelijke onderbouwing.

📌 Opmerking over validiteit en toepasbaarheid

Bovenstaande bronnen zijn gezaghebbende instellingen of publicaties binnen de Nederlandse GGZ, jeugdhulp en kinderpsychiatrie. De genoemde websites zijn vrij toegankelijk en geven actuele informatie gebaseerd op richtlijnen, praktijkervaring en wetenschappelijk onderzoek. Waar DSM-criteria worden besproken, is aansluiting gezocht bij zowel internationale standaarden (APA/DSM) als Nederlandse interpretatie binnen het jeugddomein.

Laat een reactie achter

Uw reactie is welkom. Houd uw bijdrage inhoudelijk, respectvol en relevant voor het onderwerp.
Door een reactie te plaatsen gaat u ermee akkoord dat uw naam, reactie en eventuele website zichtbaar kunnen worden bij dit bericht. Reacties kunnen worden gemodereerd volgens onze richtlijnen.

Scroll naar boven