
Wanneer jeugdzorg
een daderverlengstuk wordt
Inleiding
In de jeugdzorg en verplichte GGZ dreigt soms een schrijnend fenomeen: instellingen die onbedoeld fungeren als institutioneel daderverlengstuk. Met andere woorden, hulpverleningsorganisaties die – tegen hun bedoeling in – het misbruik of de macht van een dader verlengen of versterken. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het sociale netwerk van een kind of ouder structureel wordt buitengesloten tijdens gedwongen hulptrajecten (dekvsw.nl) (dekvsw.nl). Door die uitsluiting worden kinder- en mensenrechten geschonden en wordt herstelgericht werken onmogelijk gemaakt. In plaats van bescherming en heling te bieden, lopen instellingen dan het risico het leed van slachtoffers te bestendigen.
Dit kritisch opiniestuk – geschreven in beleids- en scholingstaal voor jeugdprofessionals – onderzoekt hoe zo’n institutioneel daderverlengstuk ontstaat. We belichten mechanismen en valkuilen, en geven voorbeelden uit de praktijk. Ook tonen we dat de benodigde vaardigheden om dit te voorkomen allang verankerd zijn in beroepscodes, wetgeving (Jeugdwet, dwang-kaders, voogdij) en de Wet verplichte GGZ (WvGGZ). Met andere woorden: we hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden – we moeten het bestaande kompas van professionele waarden en richtlijnen daadwerkelijk volgen.
Wanneer hulpverlener en dader onbedoeld samenspelen
Een dader in huiselijk geweld is erop uit de controle te behouden en het slachtoffer te isoleren van ondersteunende relaties. Ironisch genoeg kan de jeugdzorg, bij onzorgvuldig handelen, precies dát effect sorteren. Een recent analyse van de Kamer van Sociale Waarden stelt: “Instellingen in de jeugdzorg sluiten vaak het sociale netwerk van kind of ouder buiten in dwangtrajecten” (dekvsw.nl). Anders gezegd: zodra een gezin onder dwang of drang komt, wordt familie, vrienden en andere informele steunfiguren regelmatig buitenspel gezet. Dit gebeurt soms vanuit de oprechte intentie om neutraal te handelen of “rust” te creëren, maar het resultaat is desastreus. Waar een dader een slachtoffer isoleert om machtsmisbruik te vergemakkelijken, neemt de instelling nu onbedoeld die rol over door het netwerk weg te houden.
Zo’n institutionele uitsluiting gaat vaak gepaard met de allerbeste bedoelingen van professionals, maar heeft vergelijkbare gevolgen als het oorspronkelijke misbruik: het slachtoffer staat er alleen voor en de dader houdt zijn greep. Slachtoffers ervaren dit als een tweede traumatisering. Uit onderzoek naar geweld in de jeugdzorg blijkt dat secundaire victimisatie – slachtoffers die door de bejegening van officiële instanties opnieuw slachtoffer worden – een reëel probleem is (tweedekamer.nl). Een moeder of vader die aanvankelijk door de partner werd onderdrukt, voelt zich nu opnieuw machteloos, ditmaal tegenover “het systeem”.
Mechanismen: hoe goede intenties kunnen ontaarden
Institutioneel daderverlengstuk ontstaat niet door kwade wil, maar door een reeks mechanismen en valkuilen. We bespreken de belangrijkste:
- 1. Uitsluiting van het sociaal netwerk: Zoals genoemd, wordt in gedwongen hulp vaak het bredere netwerk van gezin of familie buitengesloten. KVS-onderzoek onthult diverse uitsluitingstechnieken waarmee dit gebeurt, evenals de (soms financiële) motieven erachter (dekvsw.nl). Zo krijgen familieleden geen stem in besluiten, of worden zij op afstand gehouden “om professionele reden”. Dit terwijl juist dat netwerk een buffer kan bieden tegen trauma en escalatie. Sterker nog, sommigen suggereren dat er perverse prikkels spelen: zolang professionals alleen de hulp bieden, vloeit het beschikbare budget naar hen, niet naar netwerkoplossingen. Netwerken worden mogelijk geweerd voor winst (dekvsw.nl) – een pijnlijke constatering die een ethisch appel doet op jeugdzorgorganisaties om altijd het cliëntbelang boven financiën te stellen.
- 2. Protocol boven menselijkheid: Een terugkerende valkuil is het blind varen op protocollen ten koste van menselijk maatwerk. Een kritische reflectie stelt dat protocollen in de jeugdzorg soms liefde en nabijheid verdringen, waardoor hulp verwordt tot afstand en verbinding plaatsmaakt voor beleid (dekvsw.nl). Bijvoorbeeld: na een traumatische gebeurtenis volgen professionals het boekje – formulieren invullen, doorverwijzen, veiligheidsplan afvinken – maar vergeten ze het kind écht te zien en horen. De bedoeling is veiligheid te creëren, maar rigide naleving van regels zonder oog voor de unieke context kan voelen als kil bureaucratisch handelen. Wanneer de menselijke maat verdwijnt, ontstaat ruimte voor onrecht. Een schrijnend voorbeeld is beschreven in een column getiteld “Dit heet geen zorg meer, dit heet schadebeheer”. Daarin wordt betoogd hoe jeugdzorg faalt als instellingen gevangen raken in systeemlogica en zelfs rechterlijke uitspraken negeren (dekvsw.nl). Dan is hulp niet langer gericht op herstel of welzijn, maar slechts op het minimaliseren van schade binnen bureaucratische kaders – een vorm van administratief schadebeheer die voor betrokkenen ronduit traumatisch kan zijn.
- 3. Niet daadwerkelijk luisteren naar kind en gezin: Een andere valkuil is het afvinken van “cliëntparticipatie” als formaliteit, zonder wezenlijke inspraak. Het kind wordt bijvoorbeeld gevraagd een formulier in te vullen over zijn wensen (de ‘stem van het kind’), maar vervolgens verdwijnt die input in de la. Wanneer kinderen slechts pro forma worden gehoord, voelen zij zich verraden – wederom een echo van het origineel trauma. Echte participatie betekent dat het kind en het gezin mede richting geven aan de beslissingen. Zoals CIV-CARE benadrukt: kinderrechten, het recht op gezinsleven en behoorlijke rechtsbescherming krijgen pas betekenis als context, relaties en participatie serieus worden genomen (civ-care.nl). Wordt dat nagelaten, dan worden fundamentele rechten uitgehold. Artikel 8 van het EVRM (recht op gezinsleven) en artikel 12 van het IVRK (recht op gehoord worden) verplichten professionals om actief familiebanden te respecteren en kinderen echt te laten meepraten. Een kind is geen dossiernummer, maar een mens in relaties – dat is het morele uitgangspunt (civ-care.nl). Uit het oog verliezen van die relaties maakt jeugdzorg beslissingen niet alleen onrechtvaardig maar vaak ook contraproductief.
- 4. Veiligheid zoekt men in controle (en creëert schijnveiligheid): In crisissituaties schiet het stelsel al gauw in een controlereflex. Men denkt: als we het kind uit huis plaatsen, omgang beperken, strikte regels stellen, dan is er veiligheid. Helaas kan deze reflex averechts werken. Veiligheid gebaseerd op dwang zonder vertrouwen is een illusie. Familieleden die te goeder trouw mee willen helpen, worden soms buitengesloten omdat ze als risicofactor worden gezien, terwijl ze juist deel van de oplossing kunnen zijn. Bovendien: een dader laat zich niet per se stoppen door een OTS of een omgangsregeling op papier; hij/zij kan andere wegen vinden om te intimideren. Wanneer het systeem alle touwtjes strak in handen houdt en bijvoorbeeld omgang alleen onder toezicht toestaat, voelt dat veilig op papier. Maar het kind ervaart het mogelijk als onnatuurlijk en angstig, en de niet-schuldige ouder voelt zich machteloos. De echte veiligheid ontstaat pas als het sociale netwerk rondom het kind sterk en alert is – iets wat formele controlemechanismen nooit volledig kunnen vervangen.
- 5. Perverse rolverwarring en machtsmisbruik aan de systeemkant: In sommige gevallen gaan professionals ongewild te ver in hun rol als “beschermer” en belanden ze op het terrein van de dader. Bijvoorbeeld een gezinsvoogd die zo gefocust is op het plan en het mandaat, dat hij de ouders gaat behandelen als ondergeschikten die “moeten gehoorzamen”. De grens tussen beschermen en onderdrukken kan dan vervagen. Zeker binnen voogdij en gedwongen kader is rolzuiverheid cruciaal: de professional is er om te ondersteunen en te controleren binnen wettelijke kaders, niet om de nieuwe ouder of de alwetende regisseur van een gezin te worden. CIV-CARE waarschuwt dat onduidelijke rollen systeemfalen veroorzaken – verantwoordelijkheden schuiven, mandaat vervaagt en verantwoording wordt onnavolgbaar (civ-care.nl) (civ-care.nl). Wanneer een professional feitelijk onbetwistbare macht krijgt over een gezin en geen tegenspraak duldt, is dat vragen om misbruik. Het gezin kan dan net zo goed onder de duim zitten van het systeem als voorheen van de dader.
Voorbeeld uit de praktijk: als hulp verlengt wat geweld begon
Om te illustreren hoe desastreus deze dynamiek kan zijn, kijken we naar een praktijkgeval (gefingeerd naar een authentiek relaas). Alexander, vader van twee jonge kinderen, belandt na jaren van huiselijk geweld in een nachtmerrieachtige spagaat. Zijn ex-partner mishandelde hem fysiek en mentaal; ze is meesturend en manipuleert de kinderen. Alexander hoopte dat de jeugdzorg zou ingrijpen ten bate van de kinderen. Maar wat gebeurde er?
Allereerst wordt Alexander in de ogen van de instanties niet zozeer als slachtoffer gezien, maar als risicofactor. Zijn ex-partner beschuldigt hém van vanalles – zelfs van pedofilie – en ondanks het gebrek aan bewijs slaan hulpverleners aan op die valse beschuldigingen. In plaats van haar claims kritisch te onderzoeken, lijkt men “voor de zekerheid” de moeder te volgen. Alexander merkt dat ook de Raad voor de Kinderbescherming hem met walging bekijkt vanwege een verzonnen seksuele geaardheid die zijn ex heeft rondverteld. De professional die juist onpartijdig zou moeten zijn, is onbewust gaan meevaren op het narratief van de dader.
Isolatie van familie en kind: Vervolgens ziet Alexander tot zijn ontzetting hoe zijn sociale steun wegvalt. Zijn ex dreigde al tijdens de relatie dat hij de kinderen zou kwijtraken als hij niet meewerkte; nu faciliteert de hulpverlening die chantage door het doel van de ondertoezichtstelling (OTS) te richten op duurzame begeleide omgang. Met andere woorden: de oplossing die men kiest is dat Alexander zijn kinderen alleen nog onder toezicht mag zien, structureel. Hiermee wordt precies het doel van de dader – minimale contact tussen vader en kinderen – feitelijk bekrachtigd door jeugdzorg. Vrienden en familie van Alexander worden buiten spel gezet “anders stopt de ruzie niet”; hij merkt dat zijn netwerk stap voor stap wordt afgepakt. Waar hij eerst door de partner werd geïsoleerd, gebeurt dat nu via formele besluiten. Jeugdzorg noemt dat misschien een veiligheidsmaatregel, Alexander ervaart het als een verdere ontneming van zijn leven.
Overname van controle: De ex-partner gaat ondertussen door met haar geweld. In een incident steekt ze Alexander met een schroevendraaier in de nek terwijl hij in de auto rijdt – de angst en chaos zijn compleet. Maar in plaats van dat de instanties deze voortdurende agressie van de moeder erkennen als gevaar voor de kinderen, krijgt de moeder uiteindelijk haar zin: De kinderen worden na een tijd bij haar geplaatst en zij krijgt van de kinderrechter zelfs toestemming om met de kinderen naar haar thuisland Peru te emigreren. Dit besluit wordt genomen ondanks signalen dat de kinderen in Peru wederom blootgesteld zullen worden aan huiselijk geweld. Het resultaat is ontluisterend: Alexander staat met lege handen. Zijn kinderen zijn naar het buitenland verdwenen, verstoken van hun vader én diens familie. “Als moeder zijnde mag je mijn hele familie voor mijn kinderen verstoten,” schrijft hij bitter.
Dit voorbeeld laat zien hoe jeugdzorg ongewild het scenario van de dader heeft uitgevoerd. Alles waar de dader op uit was – de andere ouder isoleren, zelf vrij spel houden, controle over de kinderen behouden – is via institutionele besluiten bereikt. Alexander concludeert wrang: gedurende 5 jaar heeft hij ervaren dat huiselijk geweld “een gedoogde methode is binnen jeugdzorg om de dader te ondersteunen bij het onderhouden van de relatie met het slachtoffer”. Hoewel dat natuurlijk niet het beleidsvoornemen is, voelde het voor hem wél zo. Zijn relaas is een noodkreet en een wake-up call voor professionals: hoe heeft het zover kunnen komen, en hoe voorkomen we herhaling?
En Alexander is niet alleen. Andere ouders en jeugdigen maken vergelijkbare dingen mee. Zo zijn er zaken bekend van kinderen die na misbruik door een ouder tóch gedwongen worden tot omgang met die ouder vanwege “rechten van de ouders”, terwijl daarmee de rechten van het kind ondergeschikt raken. Of situaties waarin pleegouders en grootouders, die een veilig thuis boden, opeens buitenspel gezet werden door een bureaucratisch besluit – met terugplaatsing bij de onveilige ouder als gevolg, tegen alle signalen uit het netwerk in (dekvsw.nl). Dergelijke cases maken duidelijk dat daderverlengstuk niet hypothetisch is, maar concreet en levensbepalend.
Bestaande kaders: het paradoxale is dat we het al wéten
Het pijnlijke aan bovenstaande misstanden is dat onze eigen professionele standaarden hier al voor waarschuwen. In de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (sinds 2022 onderdeel van de algemene Beroepscode Sociaal Werk) staat expliciet dat de professional samenwerkt met informele steunfiguren uit het sociale netwerk van de persoon, als dit in diens belang is (zorgwelzijn.nl). Dit is geen vrijblijvende suggestie maar een norm. De gezamenlijke beroepsverenigingen (verenigd in het SBJ) schreven bovendien een handreiking Informele Steun met tips hoe je netwerkbetrokkenheid praktisch vormgeeft (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Hierin benadrukken ze dat het professionele moed vergt om het netwerk écht aan zet te laten en te vertrouwen op oplossingen die mensen zelf aandragen – zelfs als die afwijken van de standaard formele doelen (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Juist die moed is essentieel: durf los te laten dat jij als hulpverlener alles bepaalt, en heb het lef om familieleden en vrienden te betrekken, ook als hun visie schuurt met de jouwe. De beroepscode ondersteunt dit, en toch blijkt uit signalen van jeugdigen en ouders dat professionals netwerksteun nog lang niet standaard meenemen (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Met andere woorden: op papier onderschrijven we het, in de praktijk hapert het.
Ook wettelijke kaders benadrukken het belang van minimale inbreuk, participatie en herstel. De Wet verplichte ggz (WvGGZ) – relevant voor jongeren die 18 worden of voor ouders met psychiatrische problematiek – is gebouwd op het uitgangspunt “geen dwang, tenzij”. Pas als echt geen andere optie meer is, mag een zorgmachtiging worden ingezet (dwangindezorg.nl) (dwangindezorg.nl). Bovendien schrijft de WvGGZ voor dat patiënten zoveel mogelijk regie moeten houden over hun behandeling (dwangindezorg.nl). Zo kunnen zij een eigen plan van aanpak maken om gedwongen zorg te voorkomen, of aangeven welke vorm van zorg het minst schadelijk is, bijvoorbeeld via een zorgkaart (dwangindezorg.nl). Deze bepalingen zijn bedoeld om te voorkomen dat professionals in een tunnelvisie raken en de persoon in kwestie overlopen. Ze verplichten tot dialoog met betrokkene en naasten, ook in een dwangkader. Met andere woorden: ook de wetgever heeft erkend dat alleen met instemming, samenwerking en het serieus nemen van iemands sociale context, zorg effectief en humaan kan zijn. Dwangmaatregelen staan immers op gespannen voet met mensenrechten. Dat is precies waarom zorgmachtigingen omringd zijn met checks and balances – om te voorkomen dat de overheid zich als een blind mechanisme over iemand heen walst.
In de Jeugdwet en aanverwante richtlijnen vinden we vergelijkbare waarborgen. Denk aan de verplichting tot het opstellen van een hulpverleningsplan in samenspraak met ouders en jeugdige, de regel dat uit huis plaatsing ultimum remedium is, en het principe van maatwerk. De Kinderrechten vormen het fundament: artikel 9 IVRK stelt dat een kind recht heeft op contact met beide ouders, tenzij dat strijdig is met zijn belang – dus als hulpverlener moet je zorgvuldig onderbouwen waarom je iemand buitensluit. Artikel 12 IVRK eist dat kinderen in zaken die hen aangaan worden gehoord en hun mening gewicht krijgt naar hun leeftijd en rijpheid. En artikel 8 IVRK (identiteitsrecht) beschermt de band met familie als onderdeel van het identiteitsbesef van het kind. Al deze bepalingen zijn niet louter symbolisch; ze horen de praktijk te doordringen en professionals houvast te geven om tegen de stroom in te roeien als dat moet.
Kortom, we hébben de kennis en de codes om te voorkomen dat een professional in de valkuil trapt een daderverlengstuk te worden. De tragiek is dat in de hectiek en complexiteit van de jeugdzorg die kennis soms naar de achtergrond verdwijnt.
Naar een waardegedreven ommezwaai
Wat moeten we nu doen om institutioneel daderverlengstukschap de wereld uit te helpen? Ten diepste vraagt het een herbezinning op onze waarden en een koerswijziging in de jeugdzorgcultuur. De Kamer van Sociale Waarden pleit voor een waardegedreven ommezwaai in de jeugdzorg, waarbij menswaardigheid, samenwerking en herstel centraal komen te staan (civ-care.nl) (civ-care.nl). Dit betekent:
- Herstelgericht werken als norm: Niet pas ná de schade, maar van meet af aan. Herstelgericht werken houdt in dat we streven naar het helen van relaties en het voorkomen van blijvende breuken. In elk besluit moet men zich afvragen: bevordert dit de relatie van het kind met zijn veilige omgeving of schaadt dit die? Als het antwoord het laatste is, moet je terug naar de tekentafel. Zoals een opiniestuk het stelt: door het buitenspel zetten van het netwerk worden herstel en verzoening bij voorbaat gedwarsboomd. Laat herstelgerichtheid daarom leidend zijn, zelfs – of juist – in gedwongen kader. Dat kan betekenen dat jeugdzorg naast het juridisch traject een “moreel traject” inzet waarin families bijeenkomen, bijvoorbeeld via herstelconferenties of waardengerichte dialogen (zoals CIV-CARE’s morele tafels en waardencommissies (civ-care.nl) (civ-care.nl)). Daarin kunnen onderliggende conflicten en behoeften worden besproken buiten de strak procedurele setting om.
- Echte participatie en zeggenschap voor betrokkenen: Participatie moet verder gaan dan inspraak; het betekent mede-zeggenschap (civ-care.nl) (civ-care.nl). Geef ouders en jeugdigen een gelijkwaardige stem in besluiten die hen betreffen. Praktisch zou dit kunnen door bij iedere belangrijke beslissing (bv. uithuisplaatsing, omgangsregeling) een netwerkberaad te houden waar familie en vrienden bij aanwezig zijn en meepraten over oplossingen. Uitgangspunt: professionals hebben expertise, maar de ervaringsdeskundigheid van gezin en netwerk is net zo cruciaal. Federatieve initiatieven als CIV-CARE laten zien dat het kan: hierin werken ouders, professionals en ervaringsdeskundigen samen op basis van gedeelde waarden, zonder dat één partij alle macht grijpt (civ-care.nl) (civ-care.nl). Participatie is zelfs een rechtsstatelijk beginsel – besluitvorming moet democratisch gedeeld worden met burgers, niet top-down opgelegd (civ-care.nl).
- Netwerkgericht hulpverlenen standaardiseren: Waar het vroeger uitzonderlijk was, moet het nu de norm zijn: bij elk intakegesprek de vraag stellen “Wie uit uw omgeving kan u en uw kind ondersteunen?” en die persoon direct betrekken. Informele steunsystemen inschakelen is geen zwaktebod maar juist een kracht, zo benadrukken de beroepsverenigingen (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Een krachtig sociaal netwerk helpt mensen om problemen te boven te komen en vergroot het duurzaam welzijn (adviezen.raadrvs.nl). Dit vergt dat we opleidingen en bijscholingen in het jeugdveld sterk richten op netwerkgericht werken. Professionals moeten leren hoe ze familiesystemen analyseren, hoe ze krachtbronnen in het netwerk herkennen en mobiliseren, en hoe ze zich verhouden tot informele helpers. Dat laatste punt is wezenlijk: een ouderplatform schrijft terecht dat de professional zichzelf niet primair als “de deskundige die weet wat nodig is” moet zien, maar als iemand die het gezin versterkt en aansluit bij wat er al aan veerkracht is (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Dat besef moet in het DNA komen van jeugdorganisaties.
- Mandaatbegrenzing en toetsing van beslissingen: Om te voorkomen dat systeemlogica het overneemt, is meer transparantie en tegenspraak nodig binnen instellingen. Intern moet elke beslissingsmacht geregeld getoetst kunnen worden: is dit in lijn met onze waarden, met het recht, met de stem van het kind? Waardengedreven governance (zoals CIV-CARE ontwikkelt) kan hier helpen: door rollen expliciet af te bakenen, besluitvorming te documenteren en audits of commissies in te bouwen die van buiten de casus meekijken (civ-care.nl) (civ-care.nl). Bijvoorbeeld, stel een morele commissie in die bij elke ingrijpende maatregel (uithuisplaatsing, spoeduithuisplaatsing, etc.) kort toetst of het netwerk wel voldoende is gehoord, of er alternatieven zijn geprobeerd, en of de beslissing proportioneel is. Dit is geen extra bureaucratie, maar een levensbelangrijke check om tunnelvisie te voorkomen. Zoals Ostroms Nobelprijswinnend onderzoek naar polycentrische governance aantoont: gedeelde controle en decentrale toetsing kunnen de kwaliteit van besluitvorming enorm verbeteren (civ-care.nl) (civ-care.nl). Jeugdzorg zou veel baat hebben bij zulke federatieve, netwerkgebonden vormen van toezicht waarin ouders en jongeren zélf ook een rol hebben.
- Van risicodenken naar vertrouwenscultuur: Ten slotte is een mentale omslag nodig weg van angst en wantrouwen. Uiteraard is voorzichtigheid geboden bij ernstige signalen – niemand pleit ervoor om onbezonnen te werk te gaan. Maar nu slaan we vaak door in dichttimmeren: alles controleren, niets overlaten aan anderen. Paradoxaal genoeg zaait dit wantrouwen alleen maar meer wantrouwen bij cliënten. In plaats daarvan moeten we toe naar een op vertrouwen gebaseerde samenwerking. Bijvoorbeeld: als een ouder geweld heeft ervaren, vertrouw zijn/haar inschatting over wat nu nodig is – misschien wel even geen contact met de ex, of juist in aanwezigheid van oma erbij. Als een tiener zegt dat hij liever bij zijn voetbalcoach zijn verhaal doet dan bij een psycholoog, waarom dat niet omarmen? Vertrouwen geven is spannend, want het neemt de schijnzekerheid weg. Maar zonder vertrouwen geen echte hulp. Zoals de handreiking Informele Steun stelt: de professional moet onzekerheid durven verdragen en het netwerk ruimte geven, ook als oplossingen niet ideaal lijken (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl). Dat vraagt om een cultuur waar fouten maken mag en geleerd wordt, in plaats van afstraffen.
Conclusie
“Institutioneel daderverlengstuk” – het is een term die schuurt. Liever denken we dat onze instanties altijd het beste voorhebben met kind en gezin. En dat hebben ze ook, maar goede intenties zijn niet genoeg. De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens die niet reflectief worden bijgestuurd. We moeten als jeugdsector erkennen dat we soms onbedoeld zelf deel worden van het probleem dat we willen oplossen. Deze kritische spiegel is nodig, niet om schuldigen aan te wijzen, maar om de kwaliteit van zorg en rechtsbescherming te verbeteren.
Er is hoop en houvast: De route naar verandering is geen mysterie. Onze professionele codes, kinderrechtenverdragen en nieuwe initiatieven wijzen de richting. Het komt aan op doen. Durven doen. Durven afwijken van het protocol als dat menselijkheid betekent. Durven familie inschakelen ook als de regels zeggen “we spreken alleen met de formele ouders”. Durven eigen macht in te perken en te delen.
Jeugdzorg moet terug naar waar het om draait: bescherming én hechting, veiligheid én menselijkheid ineen. Dat is geen onmogelijke spagaat. Uit onderzoek blijkt keer op keer: wanneer het sociale netwerk goed wordt betrokken, voelen mensen meer eigenaarschap over de geboden zorg en treedt herstel sneller in (trimbos.nl) (trimbos.nl). “It takes a village to raise a child” is niet voor niets een adagium – de gemeenschap om het kind heen is de sleutel tot duurzaam welzijn (publiekewaarden.nl). Laten we die sleutel dan ook gebruiken in plaats van buiten te sluiten.
Als jeugdprofessional, beleidsmaker of leidinggevende heeft u de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat uw organisatie een daderverlengstuk wordt. Stel uzelf bij ieder besluit de vraag: Versterkt dit de sociale steun rondom het kind, of snijdt dit die juist af? En: Handel ik vanuit angst en controle, of vanuit vertrouwen en verbinding? Die vragen leiden ons terug naar de kern van ons vak: kwetsbare jeugdigen daadwerkelijk beschermen én perspectief geven. Pas als we dat consequent doen, verdienen we het vertrouwen dat in ons wordt gesteld. En voorkomen we dat ooit nog een ouder als Alexander moet zeggen: “Dit heet geen zorg meer, dit heet schadebeheer.”
Bronnen:
- Alexander Groenheide, 8+5 jaar huiselijk geweld (persoonlijk document).
- Kamer van Sociale Waarden – diverse blogartikelen, o.a. “Waardevol Weten: Tijd voor een waardegedreven ommezwaai in jeugdzorg”, “Uitsluitingstechnieken binnen het dwangtraject – Hoe het Sociale Netwerk van Ouders en Kinderen wordt geblokkeerd” (dekvsw.nl) (dekvsw.nl), Column: ‘Dit heet geen zorg meer, dit heet schadebeheer’ (dekvsw.nl), “De kunst van isoleren – hoe professionals liefde verwarden met protocol” (dekvsw.nl), “Herstel begint met erkenning: waarom rechtsbescherming relationeel moet zijn” (civ-care.nl).
- CIV-CARE (Community Integrated Value-Care) – kennisplatform voor menswaardige jeugdzorg (civ-care.nl) (civ-care.nl).
- Zorg+Welzijn, “Informeel netwerk inschakelen in de jeugdhulp is noodzaak, maar geen gebruik” – Carolien Stam (zorgwelzijn.nl) (zorgwelzijn.nl).
- Dwang in de Zorg informatiepunt – Wet verplichte ggz, zorgmachtiging (dwangindezorg.nl) (dwangindezorg.nl).
- Trimbos-instituut / onderzoek – betrokkenheid naasten in GGZ en herstel (trimbos.nl).
- Instituut Publieke Waarden – De Toekomst van de Jeugdzorg (2019) (publiekewaarden.nl) (publiekewaarden.nl).
- Tweede Kamer, Onderzoek naar geweld in de jeugdzorg – Verslag Debat 2020 (secundaire victimisatie) (tweedekamer.nl).
- Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) art. 8, 9, 12; Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) art. 8 (gezinsleven).
