Inleiding
Stel u voor: een psychiatrisch patiënt wil tijdens een belangrijk behandeloverleg graag een vertrouwenspersoon of familielid aan haar zijde, maar de deur blijft gesloten voor dit sociale netwerk. In de casus Ingrid gebeurde precies dit: op 8 juli 2025 werd een gepland rondetafeloverleg (RTO) met haar behandelaren afgezegd omdat haar vertrouwenspersoon niet welkom was. Kort daarna kreeg Ingrid onvrijwillig een depotinjectie toegediend, zonder dat zij of haar ondersteuner waren gehoord. Dit voorbeeld staat niet op zichzelf – het illustreert een bredere, zorgwekkende praktijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) waarbij naasten en vertrouwenspersonen worden uitgesloten van overleg en besluitvorming. In dit opinieartikel onderzoeken we waar deze neiging om het sociale netwerk te verwerpen vandaan komt, welke gevolgen dit heeft, en waarom dit haaks staat op wettelijke principes én goede zorg.
Wettelijk kader: familie betrekken is de norm
Dat het sociale netwerk van patiënten betrokken hóórt te worden, is duidelijk verankerd in wet- en regelgeving. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (WvGGZ) – sinds 2020 van kracht – heeft expliciet als doel zowel de rechtspositie van patiënten als die van hun naasten te versterken (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). In artikel 2:1 WvGGZ staat bijvoorbeeld dat familie, naasten en de huisarts “zoveel mogelijk dienen te worden betrokken” bij beslissingen rond verplichte zorg (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Dit betekent dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gedwongen zorg de stem van familie en directe omgeving zou moeten worden meegenomen (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Zelfs de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie erkende bij de invoering van de WvGGZ dat meer inspraak voor cliënten en verplichte betrokkenheid van familie positieve ontwikkelingen zijn (ggztotaal.nl).
Ook buiten de context van gedwongen zorg benadrukken richtlijnen en wetten het belang van informeren en betrekken van naasten. Zo bepaalt de WGBO (Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst) dat informatie aan anderen verstrekt mág worden als de patiënt daar expliciet toestemming voor geeft. Met andere woorden: privacywetgeving staat overleg met familie zeker toe mits de patiënt instemt – iets wat in Ingrid’s geval ook formeel was geregeld via een schriftelijke toestemmingsverklaring. Daarnaast bestaat er een netwerk van patiënten- en familievertrouwenspersonen. Patiënten hebben recht op bijstand van een cliëntenvertrouwenspersoon WvGGZ in geval van gedwongen trajecten, en ook hun familie kan advies krijgen van een familievertrouwenspersoon (dwangindezorg.nl). De wetgever heeft dus duidelijk gemaakt dat het versterken van de participatie van naasten geen gunst is, maar een recht. Sterker nog, het uitsluiten van familie druist in tegen het recht op participatie en inspraak dat de WvGGZ garandeert.
Hoe kan het dan dat in de praktijk juist het tegenovergestelde gebeurt? Waarom ervaren naasten ondanks deze kaders zo vaak dat hun inbreng niet welkom is?
Kloof tussen wet en praktijk
Uit de eerste evaluatie van de WvGGZ blijkt dat het betrekken van familie in de praktijk nog ernstig tekortschiet (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Naasten worden bij beslissingen over (gedwongen) zorg “nog weinig betrokken”; zij voelen zich niet gehoord en nauwelijks geïnformeerd (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Hoewel de WvGGZ bedoeld is om een “goede machtsverhouding” te creëren waarbij professionals níet meer alleen beslissen (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl), voelt het sociale netwerk zich in de realiteit vaak buitenspel gezet.
Psychiaters geven zelf aan dat zij zich belemmerd voelen door het beroepsgeheim bij het betrekken van familie (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Privacyregels worden dus geregeld als reden aangevoerd om informatie achter te houden. Eén ouder van een volwassen kind met schizofrenie verwoordde het recent in Het Parool als volgt: “Privacyregels beschermen de patiënt, maar laten de omgeving in de kou staan” – familie wordt systematisch buitengesloten, terwijl juist zij als eerste de signalen oppikt van terugval of crisis (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Deze woorden sluiten aan bij onderzoeksbevindingen: naasten fungeren vaak als gatekeeper die alarm slaat als het niet goed gaat (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Ironisch genoeg zijn het dus juist die eersten-lijns signaalgevers die nu vaak buiten de deur worden gehouden.
Naast privacyoverwegingen spelen er meer factoren. Professionals noemen diverse barrières en terughoudendheden: men wil de vertrouwensrelatie met de patiënt centraal stellen en is bang dat die geschaad wordt door het delen van informatie (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Ook heerst er soms onzekerheid over verantwoordelijkheden. Psychiatrisch behandelaren ervaren bijvoorbeeld dat de mate waarin een patiënt wilsbekwaam is, kan wisselen, waardoor ze niet goed weten wanneer een naaste formeel moet mee beslissen (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). Duidelijk is echter dat in de dagelijkse GGZ-praktijk de balans momenteel doorslaat richting voorzichtigheid en terughoudendheid: men kiest eerder voor uitsluiting “voor de zekerheid” dan voor actieve samenwerking met het netwerk.
Waarom kiezen hulpverleners voor uitsluiting?
De vraag blijft: waar komt dit vandaan? Waarom denken sommige psychiaters dat zij alléén verantwoordelijk zijn en dat ze het sociale netwerk kunnen afhouden “omdat het nu eenmaal kan”? En is deze houding echt iets nieuws?
In zekere zin is er sprake van een oude reflex in een modern jasje. Historisch gezien was psychiatrische zorg vaak paternalistisch en werd familie weinig betrokken bij behandelbeslissingen. Toch heeft de sector in de afgelopen decennia juist geleerd dat herstelgerichte zorg baat heeft bij het betrekken van de omgeving. Het lijkt er echter op dat bij complexe gevallen en zeker bij dreigende crisissituaties een risico-averse cultuur de kop op steekt – vergelijkbaar met wat we in de jeugdzorg zagen in de afgelopen decennia.
In de jeugdzorg voltrok zich eerder een soortgelijke ontwikkeling. Ooit lag de focus eenzijdig op het kind (“alle ballen op het kind”), later op risicobeheersing (incidenten voorkomen), en nu pleit men voor een “relationship based” aanpak waarin de omgeving wordt meegenomen (decorrespondent.nl) (decorrespondent.nl). Onderzoek toont daar immers aan dat het betrekken van de omgeving van een kind op de lange termijn de meest stabiele uitkomsten oplevert; een kind is zijn omgeving (decorrespondent.nl). Het negeren van die context werkt averechts: “Het werkt averechts als je de intuïtie en het inzicht van de eigen ouders niet serieus neemt”, aldus een jeugdexpert (decorrespondent.nl).
In de psychiatrie lijken we nu tegen vergelijkbare mechanismen aan te lopen. Naarmate de druk of het risico toeneemt, grijpen professionals terug op protocollen en sluiten ze de rijen – waarbij familie als potentiële stoorzender wordt gezien in plaats van als partner. Er is sprake van een soort defensieve houding: uit angst fouten te maken of de controle te verliezen houdt men liever iedereen buiten. Dit werd pijnlijk duidelijk in Ingrid’s zaak. Zij had vooraf duidelijk aangegeven haar vertrouwenspersoon te willen betrekken, en op papier had de hulpverlening daarmee in moeten stemmen. Toch werd de aanwezigheid van haar ondersteuner niet getolereerd. Sterker nog, hem werd ronduit te verstaan gegeven dat men alleen met hem zou spreken “als hij een titel en BIG-registratie had” – met andere woorden, als hij zelf hulpverlener zou zijn. Deze opmerking verraadt een hardnekkige opvatting: alleen professionals worden gezien als volwaardige gespreks- en overlegpartners. De ervaringskennis en observaties van naasten – hoe waardevol ook – tellen dan niet mee, omdat ze geen formele status hebben.
Daarnaast speelt protocolfixatie een rol. In plaats van naar de persoon en diens omgeving te kijken, verschansen sommigen zich achter regels. In Ingrid’s situatie resulteerde dit in wat haar ondersteuner cynisch omschreef als “zorgverlamming ten gevolge van defensieve verantwoordelijkheidsverschuiving”. Vrij vertaald: iedereen volgde het protocol zó nauwgezet (en wees naar elkaar’s formele verantwoordelijkheid) dat er feitelijk geen échte zorg meer werd gegeven. “De patiënt vroeg om nabijheid. U koos voor neutraliteit. De patiënt zocht afstemming. U verwees naar een juridische module. Het resultaat? De cliënt krijgt géén zorg, maar u behoudt uw protocollaire zuiverheid”, aldus de brief van de vertrouwenspersoon. In dit soort situaties verschuilt men zich achter het idee “het is niet onze taak”. Gut feeling en risicomijding winnen het dan van empathie en maatwerk.
Gevolgen: patiënt én netwerk zijn de dupe
Het uitsluiten van het sociale netwerk heeft ingrijpende gevolgen. Allereerst leidt het tot gemiste kansen in de behandeling. Naasten kennen de patiënt vaak door en door en kunnen subtiele veranderingen als eerste waarnemen. Zij brengen een schat aan informatie mee over het functioneren van iemand in de thuissituatie – informatie die van cruciaal belang kan zijn voor een juiste diagnose of aanpak. Door die kennisbron te negeren, werken behandelaren noodgedwongen met een incompleet beeld. Het risico op verkeerde inschattingen neemt toe, en er worden oplossingen toegepast die niet passen bij de leefwereld van de patiënt. In Ingrid’s geval werd, zonder inspraak, overgegaan tot een depotmedicatie die voor haar lichamelijk risicovol was (vanwege een eerdere maagbypass) – bezwaren hierover vanuit haar netwerk waren compleet genegeerd. Het resultaat was een woedende en onbegrepen patiënte die direct na de toediening in crisis raakte. Haar boosheid werd vervolgens gezien als ‘symptoom’ in plaats van legitieme reactie op uitsluiting, wat de vicieuze cirkel compleet maakte.
Ten tweede raakt de vertrouwensrelatie tussen hulpverlening, patiënt en familie ernstig beschadigd. Wanneer familieleden consequent worden geweerd of genegeerd, voelen zij zich niet serieus genomen. Dit creëert een klimaat van wantrouwen en vijandigheid, in plaats van samenwerking. Familie kan zich dan gaan opstellen als tegenpartij in plaats van bondgenoot, wat verdere communicatie nog moeilijker maakt. We zien ook regelmatig dat ouders of partners zich gedwongen voelen om klachten in te dienen of zelfs de media op te zoeken om gehoord te worden – denk aan de vele noodkreten van ouders in de pers over hoe ze hun psychisch zieke kind “steeds opnieuw verliezen” doordat de GGZ hen buitensluit. Deze systematische schending van het recht op family life is in andere sectoren, zoals jeugdzorg, al als zorgwekkend aangemerkt (llmlegal.nl) (llmlegal.nl). In de GGZ, hoewel het juridisch minder direct zichtbaar is dan bij uithuisplaatsingen, draait het in feite om hetzelfde principe: het fundamentele recht van mensen om samen met hun dierbaren beslissingen te beïnvloeden en in verbinding te blijven, wordt ondergraven.
Ten derde legt uitsluiting een extreme last op het sociale netwerk zelf. Ironisch genoeg wordt de familie vaak pas na afloop van ingrijpende beslissingen weer “ingeschakeld” – namelijk om de brokstukken op te rapen. In Ingrid’s situatie moest haar vertrouwenspersoon na de gedwongen depotinjectie urenlang de escalerende emoties en paniek opvangen. Hij beschreef hoe het sociale netwerk impliciet verwacht wordt 24/7 paraat te staan voor toezicht en de-escalatie, terwijl de behandeling zelf vooral op controle gericht is. Die combinatie is onhoudbaar en leidde bij hem tot overbelasting. Toen de behandelaren zelfs overwogen de dosis te verhogen zonder overleg, trok hij aan de noodrem: “Als dat besluit genomen wordt zonder dat het sociaal netwerk hierin gekend wordt, is dat voor mij niet langer werkbaar. Als het over twintig minuten escaleert… ligt de verantwoordelijkheid wéér volledig bij mij.”. Deze situatie is helaas herkenbaar voor veel mantelzorgers van GGZ-patiënten. Ze voelen zich verantwoordelijk voor de zorg van hun naaste, maar krijgen geen formele inspraak. De stress en burn-out liggen op de loer, en niet zelden haken zulke betrokkenen uiteindelijk zelf af uit uitputting of frustratie. Daarmee verliest de patiënt juist de belangrijkste steunpilaar in het dagelijks leven.
Op zoek naar een oplossing: van uitsluiten naar samenwerken
Dat het ook anders kan en móet, staat buiten kijf. Zowel vanuit patiëntenperspectief, familieperspectief als professioneel oogpunt zijn de voordelen van samenwerking duidelijk. Wanneer naasten echt worden meegenomen als partner in zorg, gebeurt er iets opmerkelijks: niet alleen voelen zij zich erkend, ook de patiënt profiteert. Uit onderzoek blijkt dat meer wederzijds begrip en dialoog tussen patiënt, familie en behandelaar leidt tot betere onderlinge samenwerking en meer ervaren steun (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl). De praktijk in sommige vooruitstrevende teams laat zien dat open communicatie veel escalaties kan voorkomen. Bijvoorbeeld op een Amsterdamse crisisafdeling worden familieleden standaard uitgenodigd bij ieder consult – desnoods haalt men ze thuis op – juist om te voorkomen dat “de deur dichtgaat en de familie buitengesloten wordt”. Dergelijke initiatieven illustreren dat het wel degelijk mogelijk is privacy en betrokkenheid in balans te brengen, als de wil er is.
De WvGGZ zelf biedt ook handvatten die beter benut kunnen worden. Zo kan een patiënt vooraf een eigen plan van aanpak opstellen (eventueel samen met naasten) om dwang te voorkomen (dwangindezorg.nl). Ook moeten behandelaren volgens de wet actief overleggen met voor de zorg continuïteit relevante naasten bij het opstellen van een zorgplan (dwangindezorg.nl). Cruciaal is natuurlijk dat de patiënt instemt met het betrekken van familie – maar als dat zo is (zoals bij Ingrid zwart-op-wit het geval was), dan dient de hulpverlener dit serieus te honoreren. WGBO-artikel 7:456 laat er geen misverstand over bestaan: met toestemming van de patiënt mogen gegevens worden gedeeld. Het argument van privacy mag in zo’n situatie geen smoes zijn om de familie toch buiten te sluiten. Hulpverleners zullen hun soms reflexmatige terughoudendheid moeten laten varen en expliciet de vraag stellen: “Wie van uw naasten kunnen wij betrekken om u te ondersteunen?” en vervolgens ook daadwerkelijk die mensen aan tafel uitnodigen.
Bovendien is er behoefte aan duidelijke richtlijnen en scholing over hoe samen te werken met het sociale netwerk. Op dit moment bestaat er – hoe opvallend – géén specifieke professionele standaard voor bijvoorbeeld “verantwoord samenwerken met het sociaal netwerk”. Een dergelijke module is, zoals Ingrid’s vertrouwenspersoon het omschreef, “broodnodig in 2025”. GGZ-instellingen zouden hierin kunnen investeren door trainingen te bieden in familiegesprekken, en door successen te delen van netwerkgericht werken. Hierbij hoort ook dat psychiaters leren om binnen de grenzen van privacywetgeving creatieve oplossingen te vinden – bijvoorbeeld gezamenlijke gesprekken waarin de patiënt zelf bepaalt welke onderwerpen besproken mogen worden met de familie erbij. Vertrouwen winnen is essentieel: zowel de patiënt als de naaste moet voelen dat hun inbreng telt en veilig is. Dat vergt openheid van de professional, die soms zijn eigen onderbuikgevoelens opzij moet zetten en bereid moet zijn een stukje controle los te laten ten gunste van echte samenwerking (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl).
Conclusie
Het systematisch uitsluiten van familie en andere naasten in de GGZ is een kwalijke trend die lijnrecht ingaat tegen de geest van de WvGGZ en de principes van goede zorg. In plaats van beschermender te werken, creëert het een afstand die schadelijk is voor alle partijen: de patiënt raakt geïsoleerd, het sociale netwerk raakt overbelast of uitgeblust, en de hulpverlening mist cruciale informatie en vertrouwen. We moeten deze zorgparadox doorbreken. Samenwerken met het sociaal netwerk is geen luxe, maar een noodzaak – zowel juridisch, ethisch als klinisch. Dat betekent dat psychiaters en andere professionals hun visie op verantwoordelijkheidsverdeling moeten herzien: niet langer “ik sta er alleen voor”, maar “we doen dit samen”.
Beleidsmakers kunnen dit faciliteren door instellingen af te rekenen op hoe zij naasten betrekken, en door positieve prikkels in te bouwen voor netwerkgerichte zorg. Ontwikkel richtlijnen, stimuleer pilotprojecten en laat vooral ervaringsdeskundigen – patiënten én familie – meepraten over hoe de samenwerking verbeterd kan worden. Ook juridische waarborgen moeten worden gehandhaafd: als een patiënt een vertrouwenspersoon aanwijst, moet die door hulpverleners gerespecteerd en gelijkwaardig behandeld worden, ongeacht of deze persoon een professionele titel heeft of niet.
Uiteindelijk is de uitdaging om van een sfeer van uitsluiten en wantrouwen te komen naar een cultuur van inclusie en dialoog. Pas dan maken we waar wat de WvGGZ ons voorhoudt: dat verplichte zorg zo veel mogelijk in samenspraak met de patiënt en diens omgeving gebeurt. Alleen dan kunnen we echt spreken van zorg die de mens centraal stelt – mét zijn of haar sociale context. Zoals in de formele klacht namens Ingrid gesteld werd: “Patiënt is niet onttrokken aan zorg – de zorg onttrekt zich aan háár”. Laten we ervoor zorgen dat de GGZ zich niet langer terugtrekt van de mensen om de patiënt heen, maar hen uitnodigt om mee te helpen de juiste zorg te bieden. In het belang van de patiënt, de familie én de kwaliteit van onze geestelijke gezondheidszorg.
Bronnen:
- Wet verplichte GGZ – art. 2:1: familie en naasten zoveel mogelijk betrekken (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl); informatiepunt Dwang in de zorg over rol familie (dwangindezorg.nl) (dwangindezorg.nl).
- Tijdschrift voor Psychiatrie: betrokkenheid naasten in WvGGZ, barrières in praktijk (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl) (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl).
- Casus Ingrid – communicatie Alexander Groenheide: klachtbrief en correspondentie met Parnassia; noodkreet over overbelasting netwerk.
- Opinie/ervaringen: Geertje Paaij over buitensluiting familie bij schizofrenie (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl); jeugdzorgexpert over belang relatiegericht werken (decorrespondent.nl) (decorrespondent.nl).
- Juridisch perspectief: structurele schending family life door uitsluiting naasten (llmlegal.nl).
📚 Wetenschappelijke bronnen
- Trimbos & Phrenos (2024) – Van relatie naar netwerk: Doeboek triadisch werken
Bevat praktijktools en onderzoek over samenwerking tussen patiënt, naasten en zorgverleners, ter versterking van herstelprocessen Trimbos-instituut - Trimbos / Phrenos (2024) – Actieonderzoek Radicale Vernieuwing langdurige GGZ
Onderzoekt triadisch werken als structurele benadering voor netwerkparticipatie Trimbos-instituut - GGZnieuws (2020) – Resourcegroep-methodiek bij langdurige psychische aandoeningen
Toont aan dat betrokken naasten leiden tot meer empowerment en kwaliteit van leven ggzvoorelkaar.nl - Trimbos Instituut (2024) – Blog over integrale zorg en netwerkparticipatie
Beschrijft de urgentie van herstelgerichte zorg met nauwe betrokkenheid van naasten en ervaringskennis ggzstandaarden.nl - Trimbos / Nivel / MIND (2025) – Eindrapport ‘Bruggen slaan en navigeren op weg naar herstel’
Onderzoekt ervaringen van naasten tijdens wachttijd in de GGZ en benadrukt betekenis van hulpdoor samenwerking GGZ Totaal
📰 Media-artikelen
- GGZnieuws (2024) – Wetswijziging WvGGZ: samenwerken met naasten verplicht, tenzij…
Legt bloot dat betrokkenheid van familie vaak ontbreekt ondanks wettelijke verankering GGZ Totaal - GGZ Totaal (familie aan het woord) – Beschrijft ervaringen van naasten dat ondanks regelgeving zij niet echt worden betrokken GGZ Totaal
- GGZ voor Elkaar – Familie- en naastenbeleid in de GGZ
Illustreert dat veel instellingen wel beleid hebben, maar dit in praktijk vaak onvoldoende uitrollen dwangindezorg.nl
Deze geven ervaringsperspectieven van naasten aan ondanks beleidsbeloften.
⚖️ Juridische bronnen
- Informatiepunt Dwang in de Zorg – Rol van familie en naasten bij verplichte GGZ
Legt de wettelijke verplichting tot netwerkbetrokkenheid bij crisismaatregelen duidelijk vast GGZ Totaal - WvGGZ / Wet zorg en dwang – Regels over mantelzorg en betrokkenheid familie
Wettelijk kader voor inspraak, plan van aanpak, familievertrouwenspersoon en overlegstructuren ZonMw - ZonMw (2023/2024) – Verdiepingsonderzoek uitvoering WvGGZ
Geeft praktische aanbevelingen aan professionals hoe dwang te verminderen en familie te betrekken Trimbos-instituut - Handreiking Analyse Verplichte Zorg – verplichting zorginstelling om verantwoorde reflectie van dwangmaatregelen op te stellen voor IGJ Nederlandse GGZ
- GGZ-standaarden – Werkkaart Naastenbeleid
Richtlijnen voor instellingen over visie, triadisch werken, familieraad en implementatie van naastenparticipatie Trimbos-instituut
✔️ Relevantie
- Wetenschappelijke bronnen ondersteunen het kernargument dat netwerkbetrokkenheid leidt tot herstel en empowerment.
- Media tonen dat ervaringsverhalen van naasten vaak botsen met de praktijk van uitsluiting.
- Juridische bronnen bevestigen dat uitsluiting in strijd is met wettelijke verplichtingen onder de WvGGZ en WGBO.







