Als crisis toeslaat, is er opeens geld zat
Politici houden graag de hand op de knip – tot de nood hoog is. De recente cijfers bevestigen het patroon: in de Voorjaarsnota 2024 trok het demissionaire kabinet meer dan €1 miljard extra uit voor de asielopvang (nos.nl). Dit kwam bovenop €600 miljoen die eerder dat jaar al was toegevoegd (nos.nl). Opeens was er dus wél ruimte voor wooncontainers, cruiseschepen en hotels om mensen onderdak te bieden (nos.nl). Dit staat in schril contrast met de jarenlange mantra dat er geen cent extra naar asiel kan. Sterker nog, deze situatie is niet nieuw: de Algemene Rekenkamer wees erop dat in 21 van de afgelopen 23 jaar de kosten van asielopvang hoger uitvielen dan begroot (rekenkamer.nl) (rekenkamer.nl). Met andere woorden, de overheid onderbegroot structureel en moet later haastig bijpassen. Dat is begrotingsbeleid met ogen dicht: wachten tot de bom barst en dan “noodgedwongen” met geld over de brug komen.

Noodopvang op boten of in sporthallen is een symptoom van het ad-hocbeleid. Zulke crisisopvang is bovendien peperduur – de asielopvang kostte in 2023 circa €2,7 miljard, tegen €1,6 miljard in 2022 – vooral door dit soort noodoplossingen (binnenlandsbestuur.nl).
Kijk naar andere crisissen: tijdens de coronapandemie schroomde de overheid niet om tientallen miljarden te spenderen aan steunmaatregelen. In totaal liep de coronarekening op tot bijna €83 miljard aan extra uitgaven (rekenkamer.nl). Ook voor de opvang van Oekraïense oorlogsvluchtelingen werden enorme bedragen gereserveerd. Volgens de Prinsjesdagstukken is er circa €2,8 miljard uitgetrokken voor de opvang van Oekraïners in 2026–2027, plus nog €1 miljard in 2028 (pwc.nl). Deze voorbeelden tonen aan: als de politieke wil er is, verschijnt het geld als bij toverslag. Het idee dat de overheid zuinig moet zijn op asielzorg klopt simpelweg niet – het is een politieke keuze. Budgetregels blijken buigzaam: zo bleef het begrotingstekort ondanks al die extra uitgaven netjes onder de EU-grens van 3% BBP (nos.nl). Er is dus speelruimte genoeg wanneer men het belangrijk vindt.
Interessant is ook hoe dat geld gevonden wordt. Soms schuift men met potjes: een deel van de asielkosten (met name voor eerstejaars opvang) wordt bijvoorbeeld via het ontwikkelingssamenwerkingsbudget betaald (rijksoverheid.nl). Zo werd vorig jaar €571 miljoen teruggeboekt naar Buitenlandse Zaken omdat de uitgaven aan eerstejaars opvang lager uitvielen dan verwacht (rijksfinancien.nl) (rijksfinancien.nl) – een boekhoudkundige meevaller. Verder is er de Aanvullende Post op de begroting: een algemene reserve waar bijvoorbeeld in 2023 €50 miljoen uit is gereserveerd voor asielmaatregelen (rijksfinancien.nl) (rijksfinancien.nl). Ook werd besloten het restant van een eerder ingestelde asielreserve (nog €9 miljoen) in te zetten om tegenvallers te dekken (rijksfinancien.nl) (rijksfinancien.nl). En als het echt niet anders kan, draait de overheid gewoon de schuldkraan open – met historisch lage rente en een schuld onder de 60% van het BBP was daar tijdens corona en nu genoeg ruimte voor (nos.nl). “Geld bijdrukken” gebeurt niet letterlijk door Den Haag (dat doet de ECB), maar feitelijk creëert de staat financiële armslag door extra leningen en noodfondsen. Kortom, het argument dat “de middelen ontbreken” houdt geen stand zodra humanitaire of politieke urgentie het vereist.

Polarisatie: vluchteling als zondebok
Ondertussen speelt er nog iets: de politieke beeldvorming rond migratie is steeds vaker “wij tegen zij”. Het migratiedebat is verhard en dat is geen toeval. Verdeeldheid zaaien kan electorale winst opleveren of beleidsfalen maskeren. We zien prominente politici zich bedienen van simplistische tegenstellingen. Een schrijnend voorbeeld kwam van PVV-staatssecretaris voor Asiel Marjolein Faber, die zelfs overwoog waarschuwingsborden bij asielzoekerscentra te plaatsen: “Hier werken wij aan uw terugkeer” (oneworld.nl). Die taal maakt direct duidelijk: jullie (asielzoekers) horen hier niet, wij willen jullie weg hebben. Het is harde, polariserende retoriek vanuit de overheid zelf. Maar niet alleen op de rechterflank gebeurt dit. Zelfs een middenpoliticus als Frans Timmermans (lijsttrekker van GroenLinks-PvdA) stelde vorig jaar: “Als je iedereen toelaat, dan blaas je de hele verzorgingsstaat op.” (oneworld.nl). Hiermee voedde hij de racistische fictie dat vluchtelingen onze welvaartstaat zouden ondermijnen, een claim die keer op keer is weerlegd (oneworld.nl). Dat zo’n uitspraak ook uit gematigde hoek komt, laat zien hoe genormaliseerd de wij/zij-framing is geraakt.
De gevolgen van dit soort retoriek zijn ernstig. Ten eerste verschuift het de aandacht van structurele oorzaken. Politici wijzen graag naar de vreemdeling om maatschappelijke onvrede te verklaren – terwijl bijvoorbeeld de woningnood vooral voortkomt uit jarenlange bouwstop en liberalisering van de huursector. Toch wordt in talkshows en op het dorpsplein de asielzoeker als zondebok aangewezen (dezwijger.nl). Dat is verdeel-en-heers in de praktijk: kwetsbare groepen tegen elkaar uitspelen, zodat falend beleid elders uit beeld blijft. Een wrang voorbeeld is hoe de opvang van Oekraïners en andere asielzoekers soms tegenover elkaar wordt gezet. Meerdere gemeenten zeggen dat ze “geen plek hebben” voor asielzoekers omdat ze al Oekraïners huisvesten (rekenkamer.nl). Deze impliciete boodschap – de één gaat ten koste van de ander – creëert rivaliteit tussen groepen die allebei hulp nodig hebben. In plaats van solidariteit onder opvanggemeenten en inwoners te stimuleren, wordt de indruk gewekt dat we moeten kiezen welke groep hulp krijgt.
Ten tweede wordt het debat verengt tot soundbites over aantallen en daadkracht. Feiten doen er minder toe. Migratie wordt afgeschilderd als iets wat je simpel kunt dichtzetten, terwijl wetenschappers keer op keer laten zien dat rigide sluitingsmaatregelen niet werken (oneworld.nl) (oneworld.nl). Toch beloven partijen “weer grip” op migratie te krijgen – een fictie die het hele politieke spectrum heeft doordrongen (oneworld.nl). Die fixatie op aantallen (“vol=vol”) gaat gepaard met angstaanjagende frames. Zo spreken politici van “asieltsunami’s” of “ongecontroleerde instroom”, wat het publieke beeld vergiftigt. Extremere flanken profiteren hiervan electoraal: door angst voor het onbekende aan te wakkeren, winnen zij stemmen als zogenaamde beschermers van “het volk”. Maar ook traditionele regeringspartijen laten zich meeslepen. In feite is de asielcrisis mede door politieke narratieven een self-fulfilling prophecy geworden: men schildert de situatie af als onbeheersbaar en gebruikt dat vervolgens om hardere maatregelen en bezuinigingen te rechtvaardigen.
Tot slot is polarisatie opzettelijk een machtstechniek. Een verdeeld volk is makkelijker te regeren. Zolang lagere inkomens, woonzoekenden en ontevreden burgers hun frustratie afreageren op nieuwkomers, blijft het fundament van de macht – de status quo – overeind. Deze strategie is oud als de politiek zelf: richt de woede naar buiten, niet omhoog. We zien dit in de campagnepraktijk. Verkiezingsretoriek draait om “de gewone Nederlander” beschermen tegen “vreemdelingen” of “profiteurs”, terwijl dezelfde gewone mensen juist lijden onder beleid dat niets met migratie te maken heeft (denk aan de toeslagenaffaire of zorgbezuinigingen). Polarisatie fungeert hier als afleidingsmanoeuvre. Het is een cynisch spel: enerzijds vindt de regering miljarden als het erop aankomt, anderzijds vertelt ze het publiek dat onze voorzieningen onder druk staan door die ander. Dit verdeelt de samenleving en ondermijnt het draagvlak voor humane oplossingen.
Conclusie: Extra geld voor asielopvang kán dus wel, en het is ruim voorhanden zodra de politieke noodzaak gevoeld wordt. De kunstmatige schaarste die beleidsmakers anders poneren, is ontmaskerd door hun eigen crisisuitgaven. Tegelijk wordt de samenleving geplaagd door een door de politiek aangejaagde polarisatie. Die zet groepen tegenover elkaar en houdt ons voor dat we moeten kiezen tussen onze eigen belangen of medemenselijkheid. We moeten beseffen dat zowel de geldkraan als de woordenstroom uit Den Haag bewust worden gereguleerd. Het zijn instrumenten die naar believen worden ingezet. Pas als we dat onderkennen, kunnen we het debat terugbrengen naar de kern: een fatsoenlijke opvang organiseren zonder de mythe van onvermijdelijke tekorten, en een samenleving vormen zonder valse tegenstellingen.







