Dames en heren,
We staan vandaag stil bij iets wat we als samenleving niet langer kunnen negeren: het structurele onvermogen van onze jeugdzorgsystemen – en in het bijzonder de Raad voor de Kinderbescherming – om te luisteren, te leren, en te reflecteren op eigen handelen.
Gisteren kreeg ik van de Nationale Ombudsman te horen dat er in mijn situatie niets meer kan worden ondernomen, omdat de gebeurtenissen “te lang geleden” plaatsvonden. Maar wat als ik u vertel dat de gevolgen van deze gebeurtenissen vandaag nog steeds voortleven?
Wat als ik u vertel dat een Raad voor de Kinderbescherming een rapport kan schrijven gebaseerd op theoretische aannames uit een ander tijdperk, deze kan overdragen aan een jeugdzorginstantie, en zich daarna volledig terugtrekt uit de praktijk?
En wanneer je dan – jaren later – de moed hebt om terug te kijken, om vragen te stellen, om in dialoog te gaan over de impact van zo’n rapport op het leven van jouw kinderen… dan wordt er gezegd:
“Dat was toen. We hebben geëvalueerd. Het dossier is gesloten.”
Maar voor wie is dat dossier gesloten?
Voor de Raad misschien.
Voor de bureaucratie wellicht.
Maar niet voor de kinderen.
Want terwijl beleidsmakers hun vergaderingen verlaten en evaluaties afvinken als voldoende reflectie, groeien kinderen op in een systeem dat niet ontworpen is om hun belangen te dienen – maar om de structuur zelf in stand te houden.
We hebben het hier over een systeem dat zichzelf beschermt ten koste van het kind.
Een systeem dat feedback ziet als een risico.
Een systeem dat spontane burgerhulp wantrouwt, maar georkestreerde hulp – zonder inhoud – omarmt.
Een systeem dat jeugdzorgorganisaties dwingt te werken binnen modellen en richtlijnen die niet voortkomen uit het leven van het kind, maar uit beleidsnota’s, subsidievoorwaarden en zelfbehoud.
De vraag is niet meer: “Doen we ons best?”
De vraag is:
“Zijn we bereid om ons eigen gelijk los te laten wanneer het ten koste gaat van een kind?”
Vandaag zeg ik: genoeg.
Genoeg rapporten die nooit gecorrigeerd worden.
Genoeg ‘evaluaties’ die geen dialoog toelaten.
Genoeg structuren die geen feedback verdragen.
Genoeg hulpverlening die draait om wie verantwoordelijk is, in plaats van wie kwetsbaar is.
Dames en heren,
Als we werkelijk een samenleving willen zijn die haar kinderen beschermt,
dan is het tijd dat we de feedback die het systeem weigert, terugbrengen in handen van de gemeenschap.
Van ouders, van kinderen, van mensen die durven zeggen:
“Wat er toen is gebeurd, leeft vandaag nog.”
En dat,
is reden genoeg om te luisteren.
Dank u wel.
Vervolgtoespraak / Reflectie op de reactie van de Ombudsman
Toen ik het besluit van de Nationale Ombudsman ontving, voelde het alsof er een deur definitief werd dichtgetrokken. Niet vanwege gebrek aan urgentie, maar simpelweg omdat het ‘te lang geleden’ zou zijn.
Maar wat de formele instanties niet lijken te willen erkennen, is dat juist nu – voor het eerst – het moment daar is om te spreken.
Mijn dochter is 18 geworden. Ze is nu wettelijk vrij.
Vrij van toezicht, vrij van dreiging, vrij van invloed van de Raad voor de Kinderbescherming.
En voor het eerst kan zij, als ervaringsdeskundige, als mens, als jongvolwassene, haar stem laten horen over wat het voor haar heeft betekend om jarenlang onder het gewicht van een raadsrapport te leven.
Niet langer is er een ‘gedragstestkundige’ die op basis van theoretische risico-inschattingen een vals-positief kan creëren – om hun eigen rapport te onderbouwen, hun model te bevestigen, hun positie te behouden.
Voor het eerst kan een kind, dat door het systeem is gegaan, zelf het systeem beoordelen.
Dat is geen sluitstuk van een oud dossier.
Dat is een unieke kans voor her-evaluatie.
Een kans om te leren, te reflecteren en om te groeien als professional.
Want dit gaat niet over klagen.
Dit gaat over professionele ontwikkeling.
Over de bereidheid van gedragsdeskundigen om hun eerdere aannames onder ogen te zien in het licht van nieuwe informatie.
Over het belang van waarheidsvinding – niet alleen vóór een maatregel, maar ook ná de maatregel.
Over het erkennen dat een dossier nooit echt gesloten is zolang de mensen erin nog gevolgen dragen.
En dat is geen politieke kwestie.
Dat is geen debat voor de Tweede Kamer.
Dat is een fundamentele verantwoordelijkheid van iedereen die zich professioneel bezighoudt met kinderen.
Gedragsdeskundigen die zichzelf serieus nemen, zouden dit moment moeten aangrijpen.
Niet uit angst voor fouten,
maar uit respect voor het vak.
En bovenal: uit respect voor het kind dat nu volwassen is en eindelijk mag spreken.
Dat is alles wat ik vraag.
✅ Wetenschappelijke referenties (APA-stijl)
- Baart, A. (2001). Een theorie van de presentie. Lemma. Beklemtoont het belang van aandachtige nabijheid, luisteren en wederkerigheid in zorgrelaties.
- Bronfenbrenner, U. (1979). The Ecology of Human Development. Harvard University Press. Laat zien hoe systemen rondom het kind elkaar beïnvloeden en waarom feedback essentieel is in elk niveau van interactie.
- Luyten, P., Fonagy, P., & Target, M. (2002). Reflections on the Relationship Between Attachment and Mentalizing. Social Development, 11(3), 365–373. Verbindt het vermogen tot feedback aan mentale representatie en veilige hechting.
- Buber, M. (1970). I and Thou. Charles Scribner’s Sons. Filosofische basis voor echte, wederzijdse relaties – essentieel voor menselijke ontwikkeling.
- Schrijvers, M., & Van de Walle, T. (2018). Vertrouwen in opvoeding en onderwijs. Pedagogiek, 38(4), 275–290. Over het belang van vertrouwen, communicatie en feedback in opvoedrelaties.







