“To Make Him Cold”: The Baybasin Case

Afkomstig origineel: http://www.onderwereldblog.nl/?page_id=69

gekopieert van: https://web.archive.org/web/20070729172936/http://www.onderwereldblog.nl/?page_id=69

Vertaling:

“Om hem koud te maken”: de zaak Baybasin

Vind deze pagina in het externe archief.

Plaats een kopie van deze pagina in het externe archief.

Afkomstig origineel: http://www.onderwereldblog.nl/?page_id=69

gekopiert van: https://web.archive.org/web/20070729172936/http://www.onderwereldblog.nl/?page_id=69

Eerste hoofdstuk van  Onder de Tap  (2006), over het aftappen van telecommunicatie in Nederland, door Wim van de Pol.

De Advocaat-Generaal van het Hof neemt in een zitting vaak de rol van welwillende instantie op zich. Hij zou het liefst onschendbaar zijn en heeft de neiging afstandelijk te blijven. Hij zal niet persoonlijk betrokken zijn geweest bij het strafrechtelijk onderzoek, in tegenstelling tot een officier van justitie, wiens taak het is. Als deelnemer aan de procedure laat hij het opwinden over aan de advocaten, die grijpen naar de strohalm die hun cliënt in hoger beroep nog ter beschikking staat. Zo niet de Den Bosch-advocaat-generaal M. Kolkert tijdens het Baybasin-proces laat in de middag van 6 mei 2002. Hij onderbrak de advocaat van Baybasin, Pieter Bakker-Schut, bij het uiteenzetten van zijn pleidooi herhaaldelijk door met zijn vuist op tafel te slaan voor hem. ‘Ik heb er bezwaar tegen dat mijn integriteit op deze manier keer op keer in twijfel wordt getrokken’, riep hij. Hij had eigenlijk de spijker op de kop geslagen,
Kolkert had zojuist geluisterd naar een vijf uur durende toespraak van Baybasin’s andere advocaat, Adèle van der Plas, die zijn eerdere bewering aan flarden leek te scheuren dat elk gesprek over manipulatie van telefoontaps onzin was. Kolkert en zijn OM waren hard in het defensief gedreven, wat ook een ongebruikelijke positie is voor een advocaat-generaal om in te verkeren. In opdracht van Kolkert produceerde een officier van het landelijk parket, Taco Stein, een vijf pagina’s proces-verbaal om het hof ervan te overtuigen dat alles in orde was in de praktijk van het afluisteren van telefoons in Nederland. Maar de pleidooien van de advocaten, die waren gebaseerd op onderzoek door telecommunicatie-experts, ging opmerkelijk gedetailleerd te werk en overtuigde het hof van de theoretische mogelijkheid dat buitenstaanders zouden knoeien met telefoontaps. De Nederlandse afluisterkamer is blijkbaar niet zo veilig als zou kunnen.

Desalniettemin zegevierde Kolkert uiteindelijk in de uitspraak van 30 juli 2002, waarin Baybasin een levenslange gevangenisstraf kreeg wegens medeplichtigheid aan moord, aanzetten tot liquidatie en betrokkenheid bij de heroïnehandel. Het hof stelt dat manipulatie weliswaar mogelijk is, maar dat daadwerkelijk knoeien niet is aangetoond in de zaak Baybasin, waarin het hof is uitgegaan van het oordeel van het Nederlands Forensisch Instituut.

De uitspraak was tot zichtbare wanhoop van de advocaten, die zeiden dat geknoei met de kranen duidelijk te zien was in de Baybasin-zaak. Van der Plas zou later in het actualiteitenprogramma ‘Zembla’ opmerken dat ze door de afluisterperikelen zo gedesillusioneerd was geraakt in het Nederlandse rechtssysteem dat ze had overwogen haar praktijk op te geven.[1] Zowel het Hooggerechtshof als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hebben het beroep van Baybasin afgewezen. Maar Van der Plas rust niet voordat ze de Baybasin-zaak tot het uiterste heeft bestreden. Haar hoop is nu gevestigd op de gestage stroom nieuwe feiten die sinds de uitspraak van het Hof van Beroep in 2002 aan het licht zijn gekomen en die de Hoge Raad er uiteindelijk toe kunnen brengen de zaak terug te verwijzen naar het Hof.

De Koerdische leider
Huseyin Baybasin (geboren op 25 juni 1956) is een Koerdische zakenman en lid van een van de meest vooraanstaande families in Zuidoost-Turkije. Hij werd als jeugd opgeroepen voor militaire dienst en diende later in een speciale legereenheid. Naar eigen zeggen voerde hij diverse clandestiene opdrachten uit voor de Turkse staat, zoals het optreden als informant en heroïnehandelaar. Baybasin werd in 1976 in Istanbul gearresteerd met 11 kilo heroïne in zijn bezit.

Zijn activiteiten voor de Turkse staat kwamen in 1984 tot een einde nadat hij in Engeland gevangen zat. Toen hij uiteindelijk werd vrijgelaten, na tussenkomst van de Turkse regering, weigerde hij zijn oude netwerk van informanten te hervatten. Na zijn vrijlating in 1989 raakte hij steeds meer betrokken bij Koerdische aangelegenheden en hielp hij bij de oprichting van het Koerdische parlement in ballingschap in Brussel.

Baybasin ontkent nadrukkelijk ooit clandestiene activiteiten voor het Koerdische verzet te hebben gepleegd. Hij beweert dat hij en andere invloedrijke Koerden er bij PKK-leider Öcalan op hadden aangedrongen de gewapende strijd te staken.

Het publieke profiel van Baybasin in Turkije was gestaag gestegen, wat mede de reden was waarom hij in de ogen van de veiligheidsdiensten en de populaire pers een staatsvijand van hetzelfde kaliber was geworden als PKK-leider Öcalan. De Turkse staat beschouwde Baybasin vanaf het begin van de jaren negentig als een dodelijke vijand, zeker toen hij in de media uitspraken begon te doen over zijn gezamenlijke betrokkenheid met de Turkse staat bij de drugshandel. Een voormalige medewerker van de Turkse geheime dienst zei in een verklaring aan de advocaten van Baybasin dat zijn bazen sinds het midden van de jaren tachtig hadden geprobeerd Koerdische zakenlieden en criminelen die de PKK steunden, te ‘verwijderen’. Een hele lijst van Koerdische baba’s (onderwereldbazen) werd ook daadwerkelijk vermoord. Baybasin, zelf ooit een Turkse staatsinformant, stond volgens deze ex-geheimagent ook op het spel om vermoord te worden. Een belangrijke reden in het geval van Baybasin waren zijn directe contacten met de PKK. Deze bron vermeldt ook de uitlatingen van Baybasin in de media over de betrokkenheid van de Turkse staat bij de drugshandel. [2]

Verklaringen over de banden tussen de georganiseerde misdaad en de Turkse regering waren een absoluut taboe tot 1996, toen het Susurluk-incident de zaken op zijn kop zette. De nauwe betrekkingen tussen de Turkse wereld van de georganiseerde misdaad en de ambtenarij werden onthuld in de nasleep van een verkeersongeval in Susurluk. In een van de gecrashte auto’s zat een nogal bonte bende mensen. Onderwereldbaas Abdullah Çatli, een leidende politicus van de regerende partij, de politiechef van Istanbul en een topmodel reisden samen in een limousine. ‘Susurluk’ markeerde het punt waarop de hechte belangen van de Turkse staat en de georganiseerde misdaad geen taboe meer waren in Turkije. Sterker nog, ze werden het tegenovergestelde, want de ene onthulling volgde op de andere over relaties tussen de drugsmaffia en de Turkse regering.

Maar Baybasin nam een ​​enorm risico toen hij lang voor het Susurluk-incident in de media sprak over Turkse corruptie. De Turkse geheime dienst begon met een reeks strafrechtelijke vervolgingen met Baybasin en hij zou tijdens zijn detentie herhaaldelijk zijn gemarteld. Zijn advocaat, Adèle van der Plas, zegt dat hij in de jaren tachtig en negentig ternauwernood ontsnapte aan verschillende moordpogingen door paramilitaire commando’s. Baybasin verdween uiteindelijk van het toneel in Turkije om in de jaren negentig weer op te duiken als asielzoeker in Nederland.

Turkije verzocht in 1995 om uitlevering van Baybasin als lid van de PKK. Dit was het begin van een reeks juridische procedures die nog steeds lopen. De toenmalige minister van Justitie, Winnie Sorgdrager, besloot gehoor te geven aan de wensen van Turkije, waartegen Baybasin in beroep ging, met het argument dat hij in Turkije slecht zou worden behandeld omdat hij politiek vluchteling was. Baybasin wint op 28 oktober 1998 in kort geding en krijgt toestemming om de uitkomst van zijn asielaanvraag in Nederland af te wachten. De president van de rechtbank in Den Haag stond de uitlevering van Baybasin niet toe omdat hij eerder in Turkije was gemarteld en waarschijnlijk na uitlevering opnieuw zou worden uitgeleverd, gezien zijn banden met het Koerdische verzet.

6000 tikken
Ten tijde van zijn proces werd Baybasin behandeld als een dodelijke staatsvijand. De rechtbank Rotterdam en de rechtbankbunker in Amsterdam Osdorp stonden op maximale beveiliging. Hij werd begeleid door verschillende kogelvrije auto’s met zwaarbewapend personeel. Soms werd hij per helikopter verplaatst. Het ministerie van Justitie beschouwde Baybasin als een van de gevaarlijkste criminelen die ooit in Nederland zijn berecht. Hoewel hij nu onder een minder streng regime is geplaatst, zat Baybasin tussen 1997 en 2002 vast in de zwaarbeveiligde gevangenis in Vught, waar tussen de tien en twintig criminelen die waarschijnlijk een ontsnappingspoging zouden ondernemen, worden onderworpen aan het strengste gevangenisregime ter wereld. Nederland. Het regime is vooral psychologisch zwaar. Fysiek contact met bezoekers is uitgesloten. Bij het verlaten van de cel de gevangene moet eerst zijn handen door een luik steken om handboeien om te kunnen doen. Bij terugkeer in de cel, bijvoorbeeld na het sporten of sporten, vindt er een volledige fouillering plaats, inclusief een anale inspectie, soms meerdere keren per dag. Baybasin was de gevangene die het langst vastzat in de zwaarbewaakte gevangenis, hij zat daar al vijf jaar. Inmiddels is hij overgeplaatst naar een instelling waar het regime minder streng is.

Het enorme dossier bestaat vrijwel geheel uit telefoontaps. Tussen september 1997 en maart 1998 werden zo’n 6000 van Baybasin’s telefoongesprekken afgeluisterd. De gesprekken waren in het Engels, Turks en in sommige uiterst moeilijk te begrijpen Koerdische dialecten. Het hof baseerde zijn conclusie dat Baybasin tot twee moorden bijna geheel had bevolen op basis van die telefoontjes. Baybasin ontkent deze beschuldigingen en houdt vol dat er met de telefoongesprekken is geknoeid. De grote frustratie van Baybasin en zijn advocaten is dat ze nooit de kans hebben gekregen om experts eindelijk te laten bepalen of hun vermoedens terecht waren. Het OM zegt dat alle commotie over het afluisteren van telefoons tijdens de Baybasin-zaak ongegrond is, omdat manipulatie nooit is aangetoond.

De kern van de zaak voor Baybasin is dat het Gerechtshof Den Bosch weigerde het OM opdracht te geven externe deskundigen de originele optische schijven waarop de gesprekken zijn opgenomen te laten onderzoeken.[3] De advocaten van Baybasin verloren verschillende procedures om toegang te krijgen tot het oorspronkelijke onderschepte materiaal.[4]

Baybasin is wat het OM en het gerechtshof betreft een uiterst gevaarlijke en meedogenloze moordenaar die via zijn criminele organisatie mensen op afstand laat liquideren. Ze wijzen bijvoorbeeld op het obscure taalgebruik van Baybasin in de telefoontjes en de vage hints die lijken te verwijzen naar een geslaagde liquidatie in een theetuin in Istanbul. Zo zou Baybasin vanuit Nederland hebben gebeld om te informeren naar het succes van de theetuinmoord (die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden). Het ‘ding’ in de tuin zou ‘klaar’ zijn en Baybasin sprak zijn tevredenheid uit.

Een andere zaak betrof een moord die nooit was gepleegd. Het Hof van Beroep concludeerde dat Baybasin wraak wilde nemen voor de moord op iemand in ‘dat hete land’ (Spanje) op een van de broers van de moordenaar, die in de Verenigde Staten woonde. Het doelwit is een professor civiele techniek uit Kentucky die geen enkel verband heeft met de moord in Spanje. Baybasin belde iemand in de Verenigde Staten en de taal die in dat gesprek werd gebruikt was ook vaag. Op een gegeven moment vroeg Baybasin aan zijn contactpersoon in de Verenigde Staten om iets voor hem te doen, waarvan de precieze aard onduidelijk was. Een opmerking van Baybasin was: ‘Als de mensen daar meerdere auto’s tegelijk willen kopen, zullen ze dat moeten doen, maar alleen als er geen alternatief is.’ De interpretatie van het hof was: Baybasin was erop voorbereid dat andere mensen die zich in dezelfde kamer zouden bevinden als het doelwit van de liquidatie zouden sterven als er geen andere optie was. Behalve dit uittreksel uit de telefoontap bevat het dossier weinig bewijs voor dit liquidatiebevel. Toch volstond het voor het Gerechtshof Den Bosch om een ​​vonnis te vellen.

De talloze telefoontjes van Baybasin worden gekenmerkt door vaag taalgebruik. Op geen enkel moment praten de deelnemers openlijk over heroïne of liquidaties. Dit strookt met het vage taalgebruik van drugscriminelen aan de telefoon in talloze strafdossiers. Veel criminelen worden voor dit soort oproepen veroordeeld tot lange gevangenisstraffen, vaak terecht. De telefoontap speelt in dit soort gevallen meestal slechts een ondergeschikte rol, naast bijvoorbeeld getuigenverklaringen, waarnemingen of bankafschriften. Uniek aan de Baybasin-zaak is de prominente rol van de telefoontaps in het bewijsmateriaal. In sommige zaken vormen de telefoontaps het enige en in andere bijna het enige bewijs voor drugstransporten en liquidaties die heel ver weg hebben plaatsgevonden. Het dossier waarop Baybasin levenslang kreeg, bevat vrijwel geen ander bewijs.

De geloofwaardigheid van de vermeende betrokkenheid van Baybasin bij de theetuinmoord op een zekere Öge is nu onderwerp van veel discussie in Turkije zelf. De ‘theetuinzaak’ komt neer op een beschuldiging dat Baybasin opdracht heeft gegeven tot de moord in telefoontjes met twee handlangers. De Turkse gerechtelijke autoriteiten wilden aanvankelijk beide handlangers, Korkut en Yafuz, veroordelen voor de moord. De officier van justitie in de Yafuz-zaak verzocht de rechtbank begin 2004 zelf om niet verder te gaan. De officier van justitie in de Korkut-zaak vroeg niet eens om strafrechtelijke vervolging. De Turkse gerechtelijke autoriteiten waren van oordeel dat er in beide zaken onvoldoende bewijs was voor de betrokkenheid van Korkut en Yafuz bij de moord op de theetuin. Hetzelfde dossier werd in Nederland gebruikt om Baybasin levenslang op te sluiten als de persoon die instructies gaf aan Yafuz en Korkut.

drukmiddelen
De bestrijding van de zware Turkse criminaliteit is van oudsher een taak van de Interregionale Recherche Noordoost Nederland in Zwolle.[5] Haar werk bestaat voornamelijk uit het indammen van de stroom heroïne die Koerdische en Turkse organisaties naar West-Europa sturen. De contacten tussen agenten van de Turkse en Nederlandse politie en justitie zijn sinds het midden van de jaren negentig uitstekend. De relatie is zowel formeel als informeel hecht, met Turkse officieren die zich in Nederland vaak rijkelijk vermaken, compleet met bezoeken aan de Amsterdamse rosse buurt.[6] In ruil daarvoor werden Nederlandse politie- en justitiemedewerkers in Turkije opgevangen door de Turkse autoriteiten en kwamen Nederlanders soms in aanraking met delen van het Turkse staatsapparaat die mensenrechten minder serieus namen.

Na het eerder genoemde Susurluk-incident werd gaandeweg duidelijker dat de grenzen tussen politie, onderwereld en geheime diensten in Turkije niet altijd even scherp waren. Er bleken relaties te bestaan ​​tussen de regeringspartij van Tansu Ciller, de Grijze Wolven, de Turkse politie en de onderwereld. Ook de contacten tussen de Nederlandse politie en de Turkse autoriteiten zijn door het incident in Susurluk flink bemoeilijkt door de aanwezigheid in de auto van de politiechef van Istanbul, om nog maar te zwijgen van het feit dat het roemruchte en criminele gezelschap op weg was naar een hotel voor een ontmoeting met de minister van Binnenlandse Zaken, Mehmet Agar. Agar was in zijn eerdere functies een belangrijk aanspreekpunt voor de Nederlandse politie. Verderop in dit hoofdstuk laten we zien hoe Agar rechtstreeks tussenbeide kwam in de Baybasin-zaak.

Opvallend is dat niemand in Nederland deze verbanden publiekelijk in twijfel trok, hoewel in een rapport van het ministerie van Justitie wel kritiek werd geuit op de informele contacten tussen Nederlandse en Turkse officieren. Het officiële kanaal voor samenwerking met Turkije is internationale rechtsbijstand, waarbij de minister van Justitie eindverantwoordelijk is, met feitelijke coördinatie door de desbetreffende officier van justitie. Het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken is formeel bedoeld om een ​​sleutelrol te spelen tussen het ministerie en het OM, maar doet dat lang niet altijd. Uit justitieel onderzoek bleek dat de contacten met de Turkse justitie in de praktijk grotendeels persoonlijk van aard waren. Het openbaar ministerie en de politie voerden zaken rechtstreeks met Turkije. [7] Door deze aanpak werd het trage contact via het Bureau voor internationale rechtshulp in strafzaken vermeden. Informele contacten verlopen sneller en efficiënter: opsporingsambtenaren stellen hun eigen rechtshulpverzoeken samen.

Niet dat Nederland het enige Europese land is waar de politie meewrijft met de verschillende Turkse politie- en inlichtingendiensten. Op de deelnemerslijst van een conferentie over de Turkse drugshandel die de Nederlandse politie in 2001 in Rotterdam organiseerde, staan ​​naast leden van de Turkse justitie ook veel Duitse, Belgische en Britse agenten.[8] Een ander belangrijk punt is dat slechts één van de tolken op de lijst, die van Turkse afkomst is, blijkbaar zo belangrijk is dat hij tussen tientallen internationale opsporingsambtenaren en magistraten zit. Hij werkt voor de Amsterdamse politie. Een buitengewone tolk met een ogenschijnlijk bijzondere positie binnen de Nederlandse opsporing. Gezien alle contacten tussen Nederland en Turkije zou hij een uitstekende functie zijn voor een informant in Turkse dienst.

Een officier van justitie die een belangrijke rol speelde in Turkse drugsonderzoeken, Klunder, was getuige in de rechtbank Breda bij de Baybasin-zitting en verklaarde dat hij wist dat een van de vier politietolken ook optrad als informant voor de Turkse politie. geheime dienst. Met andere woorden, het staat vast dat ten tijde van het Baybasin-onderzoek de Turkse geheime dienst was geïnfiltreerd bij de Nederlandse politie. Dit wordt ook bevestigd door Anton Schalks, die eind jaren negentig verbindingsofficier was in Istanbul voor de Centrale Recherche. Hij zegt in een verklaring aan de rechter-commissaris dat een van de tolken ‘lid was van het Baybasin-onderzoeksteam’ en ‘gevraagde en ongevraagde informatie uit Nederlandse onderzoeken’ doorgaf aan de Turkse autoriteiten.

De Baybasin-zaak illustreert heel duidelijk dat er achter de schermen door Nederlandse ambtenaren op alle niveaus informeel werd gemarchandeerd. Toen de uitlevering van Baybasin mislukte, kwam het intieme contact tussen Turkije en Nederland de Turken zeer goed van pas. Het was toen belangrijk voor de Turken om de prestigieuze staatsvijand achter de tralies te laten zetten. Er zijn glasheldere aanwijzingen dat Turkse officieren hun informele invloed binnen de Nederlandse autoriteiten gebruikten. Als Baybasin niet naar Turkije zou verhuizen, dan zou hij gewoon in Nederland strafrechtelijk moeten worden veroordeeld. In 1996 begon anonieme informatie binnen te komen bij de Criminele Inlichtingen Eenheid Noordoost-Nederland, die suggereerde dat Baybasin betrokken was bij grootschalige internationale heroïnehandel en liquidaties. Op basis van deze informatie startte het Nederlandse Openbaar Ministerie in 1997 een vooronderzoek naar Baybasin. De Turkse autoriteiten waren verheugd over berichten in de Turkse pers dat Nederland Baybasin strafrechtelijk vervolgde. Hadden ze niet altijd gezegd dat er in Baybasin een gevaarlijke drugsdealer was die probeerde weg te komen?

Het is speculatie en onmogelijk te bewijzen, omdat de informatie van de criminele inlichtingendiensten van nature zeer geheim is. Desalniettemin is het zeer aannemelijk dat, gezien de goede contacten tussen de Turkse en Nederlandse politie, veel criminele informatie over Baybasin heimelijk vanuit Turkije in Nederland terecht is gekomen. Deze informatie kwam vervolgens anoniem terecht bij de recherchedienst van de Interregionale Recherche Noordoost-Nederland, waar werd geconstateerd dat deze afkomstig was van ‘een informant die zich meldde bij de Recherche-eenheid’. In feite was de informatie echter Turks en waarschijnlijk onrechtmatig (dus informeel) bij de Recherche in Nederland terechtgekomen van de Turkse politie of inlichtingendiensten. Naast de herkomst van de informatie, de betrouwbaarheid is ook twijfelachtig. Het is in ieder geval niet te bevestigen.

Wat zeker geen kwestie van speculatie is, is dat de Turkse en Nederlandse autoriteiten hebben gemarchandeerd over Baybasin. De aanwijzingen dat dit het geval is, zijn buitengewoon sterk. In een intern telefonisch memo van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van juli 1997 werd al melding gemaakt van onderhandelingen over Baybasin.[10] De memo dateerde van enkele maanden voor de start van het vooronderzoek naar Baybasin. Het lijkt er dus op dat de asielstatus van Baybasin mede afhankelijk was van onderhandelingen tussen de Nederlandse staat (het ministerie van Justitie) en Turkije. Dit is verrassend, omdat de uitleveringsprocedure van Baybasin toen nog sub judice was. In ieder geval staat in het document dat Nederland de Baybasin-zaak gebruikte ‘als drukmiddel om in een andere zaak iets uit de Turkse autoriteiten te halen’.

De eerder genoemde medewerker van de geheime dienst van de landelijke politie zegt dat de dienst al sinds 1993 op zoek was naar Baybasin in het buitenland en hem uiteindelijk in Nederland had gevonden. Twee keer stond een ‘team van drie mensen’ op het punt Baybasin in Nederland te liquideren. De liquidaties gingen niet door omdat het team niet in de juiste positie stond en ‘hem niet durfde uit te schakelen’. De Turken verlegden toen hun tactiek naar het contacteren van ‘bepaalde gezagsdragers in Nederland’.

‘Het was de bedoeling hem [Baybasin] in ieder geval voor een lange periode vast te houden’ (…). Ik ontmoette EG, de procureur-generaal van de Istanbul State Security Court, in de zomer van 1997 tijdens een maaltijd in restaurant Hanedan in Besiktas. Een vriend, MY, was ook aanwezig. Tijdens het gesprek merkte de procureur-generaal [van de Staatsveiligheidsrechtbank Istanbul – WvdP) op dat ‘de bom zeer binnenkort zou ontploffen, Huseyin Baybasin zou spijt krijgen ooit geboren te zijn, hij zou eruit gehaald worden’. (…)'[11]

In de verklaring van deze ex-officier werd ook melding gemaakt van de daarmee samenhangende samenwerking met Nederlanders:

Dezelfde procureur-generaal zei tijdens bezoeken aan hem in september en oktober 1997: ‘Baybasin zal nu heel snel weg zijn, die Agar is een heel dappere man, niemand kan iets tegen hem doen. Kijk hoe hij een deal sloot met de Nederlandse procureur-generaal. Hoe heette hij, Hilering, of zoiets? [dit zou een verwijzing kunnen zijn naar officier van justitie Hillenaar -WvdP] Die man informeert ons dag en nacht; hij is nog minder geduldig dan wij’, (…) ‘Baybasin is niet dood maar hij zal sterven in de gevangenis, we zullen een spel voor hem spelen dat hij nooit zal vergeten’.

Overigens was Hillenaar weliswaar geen procureur-generaal, maar wel de officier van justitie die in september 1997 het vooronderzoek naar Baybasin leidde. Volgens deze bron trad de Nederlandse officier van justitie op als gewetensvol informant voor een Turkse inlichtingendienst, in ieder geval met het verstrekken van ‘ informatie dag en nacht’.

De genoemde ‘machtige’ Agar kan verwijzen naar niemand minder dan Mehmet Agar, die in 1997 minister van Binnenlandse Zaken was en lid van de toen aan de macht zijnde partij van de Grijze Wolven, de True Path Party DYP. Agar speelde in Turkije een centrale rol in de contacten tussen politie, geheime dienst en drugshandel. Later bleek dat de betrokkenen bij het ongeval in Susurluk in 1996 op weg waren naar een hotel waar Mehmet Agar hen opwachtte. Voordat hij tot minister werd benoemd, werkte Agar onder meer bij de geheime dienst en was hij ooit de hoogste politiechef in Turkije. Agar bleek in zijn hoedanigheid van minister ook persoonlijk een vuurwapenverlof en een diplomatieke pas te hebben afgegeven aan Abdullah Çatli, de in Susurluk overleden maffiabaas. Volgens een verklaring van Mehmet Eymür, Mehmet Agar, voormalig hoge officier van de Turkse geheime dienst MIT, zorgde er ook voor dat 80 kilo heroïne West-Europa binnen werd gesmokkeld. Deze verklaring suggereert dat het er erg op leek dat het deze Mehmet Agar was die persoonlijk contact had met Nederlandse agenten in de Baybasin-zaak.

De verklaring geeft verder aan dat Turkije en Nederland al in de zomer van 1997 hadden afgesproken Baybasin strafrechtelijk te vervolgen, los van de uitleveringsprocedure. Dit is tevens een indicatie dat er tijdens het Baybasin-onderzoek mogelijk onaanvaardbare contacten zijn geweest tussen Nederlandse en Turkse officieren.[12]

De Nederlandse politieverbindingsofficier in Istanbul, Anton Schalks, zou niets te maken hebben met het onderzoek naar Baybasin, ondanks zijn functie als contactpersoon tussen de Nederlandse en Turkse politie. Het hoofd van het onderzoeksteam had hem persoonlijk verteld ‘omdat het onderzoek in kwestie politiek uiterst gevoelig ligt’. De uitwisseling van informatie over Baybasin tussen de Nederlandse en de Turkse politie verliep blijkbaar niet via de gebruikelijke kanalen.[13] Het lijkt erop dat andere kanalen geschikter waren voor Baybasin.
Al het gekibbel over de telefoontapmeldingen waar Baybasin bezwaar tegen had, speelde zich af tegen deze duistere achtergrond van geheime dienstactiviteiten.
onregelmatigheden in de kranen
Wat waren precies de punten waar Baybasin, zijn advocaten en enkele experts en journalisten aanstoot aan namen in het tapdossier? We sommen hieronder de curieuze aspecten van de tapmeldingen op zoals ze gaandeweg naar voren kwamen. Deze lijst heeft uiteindelijk geleid tot de laatste signaalanalyse van 2004, waaruit blijkt dat de afrekening van de taps in het dossier niet kan kloppen en er inderdaad met de telefoongesprekken is geknoeid.

In eerste instantie was het Baybasin zelf wiens twijfels over de mate van waarheidsgetrouwheid van de taprapporten werden geuit toen hij in 1999 zijn dossier in het huis van bewaring las. Zijn toenmalige advocaat, David Moszkowicz, kreeg toegang tot verschillende gesprekken opgenomen op cassettebandjes. Het OM zei dat de oproepen waren gekopieerd van de computers van de afluisterkamer, eigenlijk van de optische schijven, de permanente opslagmedia van het tapsysteem. Het is belangrijk om op dit punt te beseffen dat alle discussie rond de audio-opnamen eigenlijk ging over een paar cassettebandjes met slechts 140 van de naar schatting 6000 telefoontjes. De duizenden andere telefoontjes zijn nooit beschikbaar gesteld en daarom nooit gehoord door Baybasin of zijn advocaten.

Baybasin en Moszkowicz vestigden de aandacht van de rechtbank op veelvuldige hoorbare klikken op de banden. Het Nederlands Forensisch Instituut kreeg de opdracht om de tapes te onderzoeken op manipulatie, maar kon niets ongeoorloofds ontdekken. De rechtbank Breda veroordeelde Baybasin tot twintig jaar gevangenisstraf, de maximumstraf voor moord en het aanzetten tot liquidatie.

De volgende stap wat betreft de telefoontap kwam pas in 2002. Baybasin, toen in de laatste fase van zijn hoger beroep, had de advocaten Bakker-Schut en Van der Plas ingeschakeld. Het proces was bijna in het stadium van de eis van de openbare aanklager en het pleidooi van de raadsman. Bakker-Schut en Van der Plas slaagden er op het laatste moment in getuigen en deskundigen te vinden die onafhankelijk van het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek konden doen naar de opgenomen telefoongesprekken. Dat was ongebruikelijk, want de wereld van ingenieurs die voor de opsporing werken, zit als een huis. Wie verhalen vertelt over de systemen van zijn werkgever of klant, brengt zijn bestaan ​​op het spel. Martien Kuylman en Hans van de Ven gingen toch in op het verzoek van Bakker-Schut en Van der Plas om aanvullend onderzoek te doen. Kuylman was nauw betrokken bij de ontwikkeling van het tapsysteem voor de politieregio Amsterdam-Amstelland en was later hoofd beveiliging bij UPC. Van de Ven was hoofd signaalanalyse bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en werkte geruime tijd voor bedrijven die tapsystemen ontwikkelen. Beiden waren zelfstandig verder gegaan als adviseurs.

Kuylman en Van de Ven constateerden in een aantal rapporten dat de bandopnamen ernstige onregelmatigheden vertoonden.[15] Zo waren er onverklaarbare hoorbare mechanische schakelklikken in de oproepen. Deze klikken vielen soms samen met plotselinge stiltes in het frequentiepatroon, vergelijkbaar met het signaalvrije interval dat optreedt bij het starten van een bandrecorder in de opnamemodus. De experts ontdekten ook verschillen in de frequenties van de tonen binnen een enkel gesprek. Ten slotte waren er tonen te horen in GSM-oproepen die alleen kunnen worden gegenereerd door centrales voor vaste telefonie.

Net als Baybasin hadden de experts toegang gekregen tot een aantal cassettebandjes waarop oproepen waren gekopieerd uit de permanente opslag (een optische schijf). Zij gaven direct nadrukkelijk aan dat verdere analyse van het mastermateriaal nodig was alvorens een definitieve uitspraak kon worden gedaan over de oorzaak van de onregelmatigheden. Alleen dan zouden ze kunnen vaststellen of de oproepen waren gemanipuleerd of niet. Tot op de dag van vandaag heeft er geen verder onderzoek plaatsgevonden omdat het OM nooit bereid is geweest het originele materiaal (opslagmedia) ter beschikking te stellen. En noch het Gerechtshof Den Bosch, noch het Gerechtshof Den Haag in kort geding honoreerden het verzoek van Baybasin om het Openbaar Ministerie daartoe te gelasten.

Naast de technische vragen waren er nog andere onregelmatigheden die wezen op manipulatie van het tapdossier, stellen Bakker-Schut en Van der Plas. Zo blijkt uit een Nederlands overzicht van afgetapte telefoongesprekken op 1 december 1997 dat Baybasin de Turkse advocaat Necmettin heeft gebeld. In de samenvatting staat dat Necmettin op dat moment in Istanbul was.[16] De betrokken advocaat schreef in een brief dat hij zich het gesprek met Baybasin nog goed herinnerde, maar hij dateerde het gesprek in de periode 1993-1994, toen Baybasin nog in Turkije was. Necmettin legde uit dat er na dat telefoontje geen contact meer was tussen hem en Baybasin. Dus, wie had er een fout gemaakt? Was het geheugen van de Turkse advocaat onbetrouwbaar? Of klopte de Nederlandse samenvatting van de afgetapte telefoongesprekken in het dossier niet?

In het Baybasin-dossier kunnen we zien waar Baybasin op 1 december 1997 was door te kijken naar de lijst met locaties waar hij verbleef tijdens het proces. Op de datum in 1997 waarop het tapdossier Baybasin aan de telefoon heeft met Necmettin, zegt de lijst met locaties dat Baybasin in Amsterdam was. Zowel Necmettin als Baybasin zeggen echter dat ze in Istanbul waren toen dat telefoontje werd gepleegd.

De oplossing voor deze puzzel werd gegeven toen een onafhankelijke tolk de oproep opnieuw vertaalde. Vervolgens bleek dat in de eerste vertaling bepaalde fragmenten ontbraken, waaruit bleek dat Baybasin tijdens het gesprek in Istanbul moet zijn geweest. Er was geen ontkomen aan: de mensen die de eerste vertaling van het telefoongesprek van Baybasin uit 1993-1994 samenstelden, wilden het postdateren naar 1997.

Er zijn nog meer voorbeelden van ‘onzorgvuldigheid’ in het tapdossier die twijfel doen rijzen over de juistheid van de telefoontapmeldingen of de timing van de telefoongesprekken. Opgemerkt moet worden dat de betreffende inconsistenties geen technische details zijn die suggereren dat er iets mis zou kunnen zijn, maar gewoon een kwestie van logica. Wat waren dan de technische aanwijzingen dat de taprapporten onbetrouwbaar waren?

Nederlands Forensisch Instituut-expert Broeders
Het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht dertig telefoontjes in het eerste onderzoek naar onregelmatigheden bij de telefoontaps (in 2000).[17] Het team van drie onderzoekers onder leiding van APA Broeders kwam tot een duidelijke hoofdconclusie:

‘Het onderzoek dat is uitgevoerd naar de aard van de door de verdediging genoemde onregelmatigheden in de onderzochte opnames, ondersteunt niet de opvatting dat deze opnames op enigerlei wijze zijn gemanipuleerd.’

Wel uitte Broeders in de eerste aanvullende opmerking na deze conclusie een verrassend voorbehoud, waarin hij aangaf dat zijn onderzoek manipulatie niet kon uitsluiten. De onderzoeksmethode van Broeders was gebaseerd op een ‘auditief onderzoek’ van het materiaal, wat neerkomt op het afluisteren van de gesprekken via een koptelefoon. Broeders verklaarde dat deze (auditieve of hoofdtelefoon) methode vaak niet in staat was om splicing van een tape te detecteren. Broeders stelt verder dat ook het originele materiaal, oftewel de optische schijf van de afluisterkamer, onderzocht moet worden.

Na het onderzoek heeft het Openbaar Ministerie consequent de lijn van het Nederlands Forensisch Instituut (Broeders) gevolgd om zich te verdedigen tegen beschuldigingen over het tapdossier. Het OM voerde keer op keer aan dat onderzoek naar de optische schijf niet nodig was omdat het Nederlands Forensisch Instituut geen sporen van manipulatie had aangetroffen. Ze negeerden daarom de opmerking van Broeders dat de optische schijf voor zekerheid onderzocht zou moeten worden. Broeders bleef in zijn latere getuigenverklaring voor het Gerechtshof in 2002 en in zijn rapport uit 2000, ook na grondige bestudering van Kuylman en Van de Ven, resoluut bij zijn conclusies uit 2000.

Het is van belang goed naar de redenering van Broeders te kijken, want zowel het oordeel van de Rechtbank Breda over de taprapporten als het arrest van het Gerechtshof Den Bosch berusten volledig op Broeders’ visie en expertise. Het Hof van Beroep vermeed elke substantiële opmerking over de anomalieën, clicks en andere technische inconsistenties. Geconfronteerd met de twee tegenstrijdige meningen – die van Broeders en die van Van de Ven en co. – het hof heeft er uiteindelijk voor gekozen om een ​​van hen de status van waarheid te geven. Het belangrijkste argument was dat de betrouwbaarheid van Broeders en zijn Nederlands Forensisch Laboratorium buiten twijfel stond, waaruit kennelijk volgt dat de opvattingen van externe deskundigen volledig genegeerd kunnen worden.

Wat waren dan de redenen van Broeders om niet uit te gaan van manipulatie? Hij reageerde op de bevindingen van Kuylman en Van de Ven bij brief van 10 juni 2002 aan het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Hij schreef dat het Nederlands Forensisch Instituut er niet op uit was de mogelijkheid van manipulatie aan te tonen, maar zocht naar bewijzen van daadwerkelijke manipulatie. Broeders wijst erop dat hij in zijn allereerste rapport zegt dat hij ervan uitgaat dat audio-opnamen kunnen worden gemanipuleerd, gezien de mogelijkheden van digitale technologie.

Het idee achter Broeders’ redenering is dat het onmogelijk is enige manipulatie met zijn auditieve (koptelefoon)methode vast te stellen zonder onderzoek van de originele optische schijf. Daarom kan niemand zonder dat onderzoek tot een conclusie komen over manipulatie die mogelijk niet hoorbaar is via een koptelefoon. Broeders stelt later dat zijn doel van het onderzoek was om ‘te zien of er sporen van daadwerkelijke manipulatie konden worden gevonden’. Hij vond er geen. Maar volgens zijn eigen redenering is dat niet voldoende om te concluderen dat er niet is geknoeid. Natuurlijk zou origineel materiaal moeten worden onderzocht, maar dat was niet een van zijn aanbevelingen.

Broeders verwerpt vervolgens de tientallen anomalieën die door de verdediging naar voren zijn gebracht en zegt dat alle klikken, andere stemmen, vertragingen en signaalonderbrekingen of volkomen normaal of eenvoudig te verklaren waren. De essentie is dat Broeders (met koptelefoon op) gewoon constateert dat clicks ‘normaal’ zijn in telefoongesprekken, en niet oproepen tot nader onderzoek. Een concreet voorbeeld is:

‘Er is een klik midden in een zin, maar de zin wordt niet onderbroken. De klik ondersteunt geen beschuldiging van manipulatie.’

Een ander voorbeeld is:
‘De hoorbare klikken ondersteunen geen beschuldiging van manipulatie van de opname’

Broeders, met wetenschappelijke pretenties, geeft zo een mening over mechanisch klinkende clicks die door de opnames heen voorkomen. Hij biedt geen verklaring voor hen, noch beveelt verder onderzoek aan. Voor een forensisch wetenschapper, die toch de taak heeft om de werkelijkheid te helpen verhelderen, is die houding niet bepaald ambitieus. In feite oordeelt hij dat de klikken ‘normaal’ zijn zonder ook maar de geringste hint te geven over de oorzaak van deze buitengewone geluiden. Wel geeft Broeders een verklaring voor een deel van de oproepen, zoals voor de verschillen in achtergrondgeluid in oproep 140. Kuylman en Van de Ven constateerden bij deze oproep aanzienlijke (onverklaarbare) geluidsniveauverschillen. De toon van het gesprek en de woorden die door de sprekers worden gebruikt, versterken de suggestie dat het gesprek in feite bestaat uit twee verschillende gesprekken die aan elkaar zijn gesplitst.

Telecommunicatie-expert Kuylman onderzocht deze oproep. Hij merkte op dat er iets mis is in de substantiële variaties in de signaal-ruisverhouding in de meer dan 45 minuten durende oproep. Kuylman zegt dat er zo weinig ruis is in delen van het gesprek dat er eigenlijk geen sprake is van een opname van een of ander afgetapt telefoongesprek, en zeker geen GSM-gesprek, zoals het dossier beweert.

Kuylman stelt: ‘…gezien de geluidskwaliteit zijn er andere, meer voor de hand liggende verklaringen, bijvoorbeeld dat de opname direct met een microfoon is gemaakt.’ Deze uitleg zou kunnen aansluiten bij wat Baybasin vanaf het begin over dit telefoontje heeft gezegd: dat het is opgebouwd uit het ene telefoontje en uit het andere telefoontje naar dezelfde persoon in een auto ergens in Nederland.[18] Een deskundige uit de Verenigde Staten zegt (op verzoek van advocaat Van der Plas) over deze oproep dat deze uit meerdere oproepen moet zijn samengesteld.[19]

Na filtering van het signaal bestaat de oproep duidelijk uit twee delen. Het eerste deel heeft op de achtergrond ratelende geluiden van een auto, terwijl het tweede deel zich afspeelt in een meer holle ruimte, met op de achtergrond stemmen hoorbaar die in het andere deel afwezig zijn. [20] De Amerikaanse telecommunicatie-expert Dickey sluit zich aan bij deze conclusie: ‘… diverse anomalieën geassocieerd met [call] 140 zijn consistent met wijziging. Aanwijzingen voor wijziging door verwijdering en/of gegevensverzameling zijn aanwezig’. [21] Met andere woorden, dit was een geval van splicing, wat een conclusie is die volgens Kuylman en Dickey kan worden vastgesteld zonder verder onderzoek van het originele materiaal. Ze zeggen dat de overgang in het frequentiepatroon (de verandering in de ruis) binnen een enkele oproep alleen kan worden verklaard door manipulatie. In reactie op de mening van deze deskundigen, Broeders’ verklaring voor het verschil in achtergrondgeluid was verrassend eenvoudig. Hij suggereert alleen dat de spreker misschien naar een andere kamer is verhuisd, zonder in te gaan op Kuylmans vragen, met name of een deel van het gesprek überhaupt een telefoongesprek kan zijn geweest. Broeders volstaat met te stellen dat er in deze oproep geen sprake is van manipulatie, waarbij de waargenomen geluidsniveauverschillen buiten beschouwing worden gelaten. En met deze paar simpele woorden van Broeders sprak het Gerechtshof Den Bosch zijn tevredenheid uit over oproep 140. Broeders volstaat met te stellen dat er in deze oproep geen sprake is van manipulatie, waarbij de waargenomen geluidsniveauverschillen buiten beschouwing worden gelaten. En met deze paar simpele woorden van Broeders sprak het Gerechtshof Den Bosch zijn tevredenheid uit over oproep 140. Broeders volstaat met te stellen dat er in deze oproep geen sprake is van manipulatie, waarbij de waargenomen geluidsniveauverschillen buiten beschouwing worden gelaten. En met deze paar simpele woorden van Broeders sprak het Gerechtshof Den Bosch zijn tevredenheid uit over oproep 140.

Van de Ven getuigde dat toonpulsen die optreden bij een ander gesprek normaal gesproken onmogelijk zijn in GSM-technologie. Ze suggereerden dat de oproep was gedaan met oude analoge technologie. Broeders bevestigt dat in zijn brief uit 2002, maar schrijft later dat de tonen verklaard kunnen worden als het gesprek via een analoge (oude) centrale was verlopen. Wat hij er niet aan toevoegde is dat het gesprek in 1997 zou zijn gepleegd en dat de laatste analoge centrale in Nederland al in 1995 was uitgeschakeld. Dit gesprek kon dus in ieder geval niet in Nederland zijn gepleegd. , in tegenstelling tot wat het tapbestand zegt. Broeders zwijgt verder hierover.
Ongetwijfeld gaat Broeders’ meest opvallende verklaring over de clicks in gesprek 11. Zeven clicks zijn hoorbaar in een tijdsbestek van drie seconden, een kwartier na dat gesprek. Volgens Broeders zijn deze geluiden geen enkel teken van manipulatie. Hij ziet bovendien geen enkele reden om deze geluiden verder te onderzoeken. Broeders onderbouwt zijn visie met een simpele uitleg. De kliks waren waarschijnlijk het gevolg van ‘een van de sprekers die de batterijen van zijn mobiele telefoon controleerde’. Een van de sprekers (K.) merkt kort voor de clicks op dat zijn batterij bijna leeg is. Broeders stelt dat: ‘er een geluid hoorbaar is dat aangeeft dat K. mogelijk met zijn telefoon heeft geschud.’ Broeders zegt dat het idee hierachter zou zijn geweest om de laatste restjes lading uit de accu te halen.[22] Als deze uitleg juist was, het schudden moet een behoorlijke energiestoot hebben veroorzaakt, want uit de taprapporten blijkt dat het gesprek daarna nog een goed half uur duurde. Er is echter niet één specialist op het gebied van mobiele telefonie te vinden die de visie van Broeders ondersteunt dat door het schudden van een telefoon het laatste restje lading uit een batterij kan worden gezogen. Kennelijk was geen van de rechters bij de rechtbank en het gerechtshof hiervan op de hoogte. Sterker nog, zij slikten deze uitleg massaal, op gezag van Broeders en het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof heeft zelfs geen twijfel willen laten bestaan ​​over de deskundigheid van de getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. er is geen specialist op het gebied van mobiele telefonie te vinden die de visie van Broeders ondersteunt dat door het schudden van een telefoon het laatste restje lading uit een batterij kan worden gezogen. Kennelijk was geen van de rechters bij de rechtbank en het gerechtshof hiervan op de hoogte. Sterker nog, zij slikten deze uitleg massaal, op gezag van Broeders en het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof heeft zelfs geen twijfel willen laten bestaan ​​over de deskundigheid van de getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. er is geen specialist op het gebied van mobiele telefonie te vinden die de visie van Broeders ondersteunt dat door het schudden van een telefoon het laatste restje lading uit een batterij kan worden gezogen. Kennelijk was geen van de rechters bij de rechtbank en het gerechtshof hiervan op de hoogte. Sterker nog, zij slikten deze uitleg massaal, op gezag van Broeders en het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof heeft zelfs geen twijfel willen laten bestaan ​​over de deskundigheid van de getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. op gezag van Broeders en het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof heeft zelfs geen twijfel willen laten bestaan ​​over de deskundigheid van de getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. op gezag van Broeders en het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof heeft zelfs geen twijfel willen laten bestaan ​​over de deskundigheid van de getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut.

Het hof lijkt een aantal terecht kritische vragen aan Broeders’ simpele uitleg niet te hebben gesteld.

• Is het mogelijk dat het schudden van de batterij van een mobiele telefoon ervoor kan zorgen dat er meer lading stroomt (zoals het schudden van een gasaansteker ervoor kan zorgen dat er meer gas stroomt)?
• Zo ja, kan door deze extra kosten een gesprek nog een half uur worden voortgezet?
• Wat voor soort mobiele telefoon zou dit mogelijk kunnen maken?
• Wat bedoelde Broeders precies met ‘de batterij controleren’ van een mobiele telefoon?

Op het laatste moment legden de advocaten van Baybasin het Gerechtshof een eindrapport van Van de Ven voor, waarin een heel andere verklaring voor de clicks werd gegeven. Dit rapport toonde een spectrumanalyse van deze oproep die duidelijke tekenen van splicing vertoont op de positie op de band waar technisch geratel (klik) optreedt. De frequentiegrafiek toont korte stiltes gedurende de betreffende drie seconden. Ironisch genoeg bevat de wetenschappelijke literatuur een artikel uit 1993 dat precies dit soort klikken bespreekt: periodes van stilte die optreden bij het wissen en overschrijven van banden door de recorder te starten. De deskundige die dit rapport heeft geschreven is Broeders. Hij beschrijft in dit artikel signaalonderbrekingen van tussen de tweehonderd en zeshonderd milliseconden bij het overschrijven van banden.

Het is verbazingwekkend dat Broeders ditzelfde patroon niet herkende bij het bestuderen van het materiaal, en niet bevestigde dat het identiek was aan het voorbeeld in zijn artikel uit 1993, en nog verbazingwekkender dat het Baybasin-rapport geen enkele verwijzing naar zijn eerdere studie bevat. Het ligt immers voor de hand om op zijn minst de juistheid te onderzoeken van de hypothese dat de oproepen van Baybasin dezelfde kenmerken vertoonden als het patroon dat hij in 1993 beschreef.[24]

De expertise van Broeders
De advocaten van Baybasin voerden aan dat Broeders van het Nederlands Forensisch Instituut geen expertise had. Hij had zijn conclusies alleen gebaseerd op het beluisteren van het materiaal via een koptelefoon, terwijl deze ‘auditieve’ onderzoeksmethode in de signaalanalysepraktijk volgens hen niet meer is dan een startpunt voor verder onderzoek: verder onderzoek dat verder gaat dan analyse beperkt door de menselijk oor. Broeders heeft deze stelling ter terechtzitting bij het Gerechtshof Den Bosch met kracht bestreden. In zijn schriftelijke reactie op de opmerkingen van Kuylman en Van de Ven aan het hof voegt hij een lange lijst met publicaties toe die getuigen van zijn deskundigheid. Voor alle duidelijkheid: Broeders is taalkundige die stemherkenning en spraakanalyse benadert vanuit taalkundige principes (Van de Ven is wis- en natuurkundige). In een stekelige reactie op de bewering van Van der Plas dat hij geen expert is op het gebied van digitale signaalanalyse, waarschuwde Broeders zelfs dat hij een rechtszaak tegen Van der Plas zou starten. Broeders eiste dat Van der Plas haar beweringen voor het Gerechtshof zou intrekken.

Zonder de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch direct ter discussie te stellen, blijft een geïnteresseerde en onpartijdige buitenstaander toch met een aantal vragen zitten. Met name de vraag hoe alle vreemde verschijnselen die door Kuylman en Van de Ven zijn waargenomen verklaard kunnen worden. De discussie over de expertise van Broeders, Kuylman of Van de Ven is irrelevant.
Het punt is hoe de onvermijdelijke suggestie dat meerdere oproepen aan elkaar waren gesplitst, kan worden geëlimineerd. Het lijkt in ieder geval redelijk de anomalieën verder te onderzoeken. Het Gerechtshof Den Bosch heeft op dit punt in laatste instantie een kans laten liggen door ondanks ernstig aandringen van door de verdediging opgeroepen deskundigen af ​​te zien van een dergelijk onderzoek. Een belangrijke conclusie van het hof was dat manipulatie van de telefoongesprekken niet kon worden uitgesloten.[25] Het hof baseert zich echter uitsluitend op het deskundigenbewijs van Broeders, die geen spoor van manipulatie heeft aangetroffen, en niet op het bewijs van de andere deskundigen. De adviezen van de andere deskundigen werden door het hof genegeerd en in de uitspraak wordt niet eens melding gemaakt van hun tegengestelde mening. De kern van het oordeel van het hof is het autoritaire argument dat de betrouwbaarheid van het Nederlands Forensisch Instituut onaantastbaar is en dat er dus geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van Broeders. Het is dan logisch dat op basis van de afgetapte oproepen een strafmaat volgde zonder dat verder substantieel onderzoek naar de afwijkingen in de taps nodig was.

Achteraf gezien was dit waarschijnlijk een vergissing. De resultaten van Van de Ven’s laatste onderzoek naar de oproepen suggereren onvermijdelijk dat de tapdossiers in de Baybasin-zaak niet in overeenstemming kunnen zijn met de waarheid. Dit laatste onderzoek kwam pas in 2004 beschikbaar, wat te laat was voor het beroep, en ook te laat voor het Hooggerechtshof, dat de uitspraak in de Baybasin-zaak bevestigde.

onmogelijke oproepen
Na de uitspraak van de Hoge Raad waren Van der Plas en Bakker-Schut genoodzaakt andere, meer overtuigende manieren te vinden om de manipulatie aan te tonen dan ze voor het Gerechtshof Den Bosch hadden gedaan. Zij hebben in kort geding bij de Rechtbank Den Haag verzocht de Nederlandse Staat te gelasten de originele optische schijven bij de telefoontjes in te dienen voor nader onderzoek. Maar ook deze zaak hebben ze verloren. Ook probeerden zij in een civiele procedure, eveneens via het gerechtshof in Den Haag, de originele optische schijven in handen te krijgen. Het gerechtshof in Den Haag oordeelde onder meer dat Baybasin onherroepelijk was veroordeeld door de strafrechter en geen civielrechtelijk verhaal kon halen. Ook de argumenten dat het onderzoek naar de optische schijven nieuwe feiten zou kunnen opleveren op grond waarvan de Hoge Raad de zaak zou kunnen terugverwijzen naar het Gerechtshof, konden niet baten. Het hof oordeelt dat de staat niet kan worden verplicht mee te werken aan een dergelijk verzoek om toetsing.
De laatste kans van Van der Plas en Bakker Schut was het beroep dat in 2004 werd ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Bij die oproep voerden zij nieuw onderzoek van Van de Ven naar de audiocassettes aan, waarbij gebruik werd gemaakt van de nieuwste signaalanalysetechnieken. Het Europese Hof van Beroep kneep echter de ogen dicht voor dat nieuwe onderzoek en handhaafde de uitspraak van de Nederlandse rechter. Ook de Europese rechters wekten de indruk de kern van het probleem te willen vermijden. De telefoontjes zelf en het laatste onderzoek zijn niet onderzocht. De uitspraak van het Europese Hof van Beroep was schokkend gezien de uitkomst van dat onderzoek.

De conclusies van Van de Ven suggereren bijna onvermijdelijk dat een reeks onderzochte calls nooit had kunnen plaatsvinden zoals ze in het dossier worden gepresenteerd. Dit onderzoek is bijna onomstotelijk bewijs dat de oproepen inderdaad zijn gemanipuleerd (hoewel ook hier voor wetenschappelijke zekerheid bestudering van de originele optische schijven vereist is). De verschijnselen in de oproepen kunnen niet anders worden verklaard dan door manipulatie. Samengevat zijn er drie zaken die niet passen:
• sommige gesprekken mogen niet in Nederland zijn opgenomen;
• sommige oproepen konden niet van een telefoonlijn worden afgeluisterd (wat betekent dat de gesprekken ‘rechtstreeks’ werden afgeluisterd met een microfoon);
• frequentieanalyse van de ruis toont tientallen momenten in oproepen waarop een nieuwe GSM-oproep start. Splitsmomenten zijn dus zichtbaar aangetoond.

Van de Ven begint zijn rapport met de relatie tussen zijn onderzoek en het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut dat Broeders in opdracht van het Gerechtshof Den Bosch heeft uitgevoerd. Op basis van dit rapport baseert het hof zich op het oordeel dat manipulatie niet is aangetoond. Broeders kwam tot zijn rapport op basis van auditieve analyse, oftewel zorgvuldig luisteren. Van de Ven zegt dat de onderzoeksmethode van Broeders geen enkele uitspraak over de vreemde hoorbare verschijnselen op tape kan staven. Van de Ven stelt dat een auditief onderzoek van het audiomateriaal een goede basis is om te beoordelen of de tapes ongebruikelijke verschijnselen bevatten, waarna signaalanalyse de basis zou vormen voor een uitspraak of er daadwerkelijk is gemanipuleerd.

Van de Ven gebruikte computerprogramma’s waarmee uitspraken kunnen worden gedaan over de hoorbare telecommunicatiesignalen. Bij een dergelijk onderzoek kijkt hij vooral naar de signaaleigenschappen van de verschillende tonen en hoe deze bijvoorbeeld in internationale protocollen zijn voorgeschreven.[26]
De conclusies van Van de Ven zijn als volgt.

1. Een AGC-patroon treedt op in vijf oproepen in het midden van wat volgens het bestand een continue oproep is.[27] Dit is een patroon in de frequenties van het signaal dat zich altijd voordoet kort voordat een GSM-oproep begint, en verschijnt als ruis net voordat het communicatiepad tot stand is gebracht. Als dit AGC-patroon waarneembaar is tijdens een ‘continu’ gesprek, kan dit alleen maar betekenen dat er een nieuw gesprek is gestart. Deze waarneming stelt dus vast dat twee oproepen aan elkaar werden gesplitst. Het is technisch onmogelijk dat de opname van een enkel gesprek is geweest.

2. Bij elf oproepen is een kiestoon van 450 Hz of 400 Hz hoorbaar. De kiestoon in Nederland is 425Hz, waardoor het onmogelijk is dat deze gesprekken in Nederland zijn opgenomen zoals het dossier beweert. In respectievelijk Turkije en Groot-Brittannië worden frequenties van 450 Hz en 400 Hz gebruikt.

3. Van veertien van de gesprekken staat vast dat het helemaal geen telefoongesprek kan zijn, maar direct is afgeluisterd, bijvoorbeeld met een microfoon in een kamer. De oproepen hebben een frequentiebereik van minder dan 300 Hz tot meer dan 3400 Hz, wat betekent dat ze buiten de telefonieband vallen, waardoor hoge en lage frequenties worden afgesneden. De oproepen kunnen dus niet afkomstig zijn van enig telefoongesprek dat in de afluisterruimte is opgenomen, hoewel ze als zodanig in het dossier zijn geregistreerd.

4. De signaal-ruisverhouding bij twee gesprekken is zo goed dat het onmogelijk GSM-oproepen kunnen zijn, zoals in het dossier staat, maar gesprekken over een vaste lijn.

5. Eén gesprek bevat overspraak. Dit fenomeen moet veroorzaakt zijn door een analoge centrale. Vanaf 1995 waren alle analoge centrales in Nederland vervangen door digitale. In tegenstelling tot wat in het dossier wordt beweerd, kan dit gesprek in november 1997 dus nooit van het Nederlandse telefoonnetwerk zijn afgetapt. In een ander gesprek zijn toonpulsen te horen die alleen via een analoge centrale in de afluisterkamer kunnen zijn aangekomen. Daarom kon dit gesprek in 1997 ook niet in Nederland zijn opgenomen.

6. De ruis valt meerdere keren volledig weg tijdens verschillende gesprekken, vergelijkbaar met het ruisniveau van een goede lege geluidsband. Dit zijn sterke aanwijzingen voor splitsingsmomenten, maar dit kan niet direct worden bewezen omdat de originele audiodrager niet kan worden onderzocht.

7. De zeven klikken in het gesprek, die onderzoeker Broeders van het Nederlands Forensisch Instituut toeschreef aan het trillen van de telefoon, kunnen niet door het trillen zijn veroorzaakt. Afgezien van de vraag of het nieuwe stroom kan opwekken, schiet de verklaring tekort omdat door het ‘schudden’ van de telefoon een willekeurig signaal zou ontstaan, bestaande uit meerdere frequenties, terwijl het signaal van de klikjes een systematisch patroon heeft. De klikken zijn gepaarde frequenties, die worden geproduceerd door op de verschillende cijfers op het toetsenbord te drukken. Bovendien treedt er een AGC-patroon op in het midden van dit gesprek, dicht bij de klikken, wat onweerlegbaar aangeeft dat er een nieuwe gsm-verbinding tot stand is gebracht. De enig mogelijke conclusie is dat ‘het gesprek met de geschudde telefoon’ een samenstelling is van twee gesprekken.

Een fractie (140) van de ruim 6000 oproepen bevat dan ook veel inconsistenties die de conclusie rechtvaardigen dat sommige oproepen niet zijn afgetapt van het telefoonnetwerk in Nederland. De kiestoonfrequentie impliceert dat sommige oproepen in Groot-Brittannië en Turkije moeten zijn opgenomen. Na jaren van discussie is de aanwezigheid van splicing in de calls nu vastgesteld. Er is opzettelijk geknoeid met het bewijsmateriaal waarop een verdachte in een Nederlandse rechtbank tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. Deze conclusies moeten voor het Nederlandse strafprocesrecht behoorlijk verontrustend zijn, omdat het belangrijkste bewijs in een lang slepende en spraakmakende vervolging kennelijk onbetrouwbaar was, terwijl de verdediging en journalisten al jaren wezen op de noodzaak van nader onderzoek. En geen enkele rechtbank vond het de moeite waard om te onderzoeken wat de waarheid van al die claims zou kunnen zijn. Zelfs het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wees het beroep van Baybasin met weinig motivatie af, ondanks nieuw aangevoerd onderzoeksmateriaal.

Of Baybasin misschien ten onrechte of geheel onschuldig tot levenslang is veroordeeld als gevolg van de verre van grondige aanpak van deze rechtbanken, is een nog steeds knagende vraag. Hoeveel andere, niet-onderzochte, oproepen in de Baybasin-zaak zullen daadwerkelijk dezelfde inconsistenties vertonen? Hoeveel andere ‘onmogelijke oproepen’ zijn er onder de 6000 in het Baybasin-bestand? En: als het toezicht van de rechterlijke macht op deze veelgebruikte opsporingstechniek op deze manier kan mislukken, in welke andere zaken is dan nog geknoeid met tapmateriaal? Maar de meest serieuze vraag is in hoeverre Nederlandse opsporingsambtenaren of Nederlandse OM-medewerkers actief betrokken waren bij het knoeien met het tapdossier van Baybasin.

‘om hem koud te maken’

Het is vooral schokkend dat de Nederlandse rechter is gedupeerd door te knoeien met het tapdossier, terwijl het zeer waarschijnlijk is dat ook de daadwerkelijke oproepen zijn gemanipuleerd. Maar nog schokkender is dat in één geval in ieder geval een Nederlandstalige moet hebben deelgenomen aan de manipulatie. Was dat een medewerker van de politie of van justitie? Wie was verantwoordelijk en wist wat er aan de hand was? Het is onwaarschijnlijk dat dit ooit door een Nederlandse rechter zal worden onderzocht, wat de zaak nog ernstiger maakt.

Het gaat om nummer 38, dat cruciaal bewijs tegen Baybasin was van poging tot aanzetten tot liquidatie tot aan de eis van de officier van justitie tijdens de hoorzitting van het Hof van Beroep. Advocaat-generaal Kolkert noemde het in zijn eis zelfs ‘de hoeksteen van het bewijs’ van een liquidatiecontract in de Verenigde Staten, dat in feite nooit werd uitgevoerd. Op oproep 38 staan ​​volgens de Nederlandse vertaling in het dossier de woorden ‘hem koud maken, is dat alles?’, wat betekent ‘hem uitschakelen, is dat alles?’, waarop Baybasin bevestigend antwoordde in die oproep, aangezien de vermeende opdrachtgever.

Het oorspronkelijke gesprek werd gevoerd in het Engels door twee mensen die geen Nederlands spreken, Baybasin en een onbekende. De eigenlijke Engelse woorden van de vraag van de onbekende waren ‘to make him cold, that’s all?’, althans zoals in het dossier staat vermeld. Maar experts in de Engelse taal hadden eerder voor het Gerechtshof in Den Bosch getuigd dat de woorden waren: ‘and all is…to make him call that’s all’. Deze experts stelden ook dat de uitdrukking ‘to make him cold’ in geen enkele variant van het Engels hetzelfde betekent als ‘to take him out’. Advocaat-generaal Kolkert zou hiervan op de hoogte kunnen zijn, maar verrassend genoeg benadrukte hij in de eis van zijn officier van justitie dat ‘hem koud maken’ betekent ‘iemand elimineren of laten elimineren’. Terwijl hij sprak, Van der Plas onderbreekt hem en vestigt de aandacht van het hof op het feit dat getuigen-deskundigen al hebben verklaard dat ‘to make him cold’ in het Engels niet die betekenis heeft, in tegenstelling tot het Nederlands. Ook dit ging het hof iets te ver en Kolkert zag zich genoodzaakt dat onderdeel uit zijn eis terug te trekken. Ook zonder deze ‘hoeksteen van het bewijs’ achtte het Hof van Beroep Baybasin schuldig aan poging tot liquidatie. Maar achteraf gezien blijft een interessante vraag onbeantwoord. Wie kwam op het idee dat de woorden ‘to make him cold’ op de band stonden? Wie had het rapport verfraaid? En nog interessanter: wie besloot dat ‘koudmaken’ een goede vertaling was van de passage in het Nederlands? Het moet in ieder geval iemand zijn geweest met een grondige kennis van het Nederlands, wat een tolk zou suggereren,

De laatste signaalanalyse van Van de Ven uit 2004 maakt de zaak alleen maar erger en de vragen prangender. Want in een tijdsbestek van 25 seconden voorafgaand aan de betwiste passage (‘en alles is, om hem te laten bellen, dat is alles?’) valt het signaal drie keer uit, wat wijst op splicing. Er zijn in totaal veertien van dit soort evenementen in deze call. Als dit bedoeld was om Baybasin af te troggelen met een poging tot liquidatie, dan was dat een onhandige manier om dat te doen. Toch lukte het bijna. Zonder het onderzoek dat Bakker-Schut en Van der Plas als laatste redmiddel hadden laten uitvoeren, was het nooit opgevallen. En wellicht had de Advocaat-Generaal, mogelijk geheel te goeder trouw, zij het met beperkte kennis van het Engels, de passage vrijelijk kunnen gebruiken als ‘hoeksteen van het bewijs’ voor het Hof van Beroep. Als er splitsing heeft plaatsgevonden,

bestaan ​​de optische schijven eigenlijk?
Alle opgeworpen vragen suggereren nog meer nieuwe vragen. Om te beginnen is er de vraag waarom het OM geen enkele keer aanleiding heeft gezien om de ernstige beschuldigingen van manipulatie die in de rechtbank en in de media werden geuit, te weerleggen. Kuylman en Van de Ven hebben herhaaldelijk aangeboden hun expertise ter beschikking te stellen aan het Nederlands Forensisch Instituut om gezamenlijk alle twijfels te onderzoeken. Waarom is de zaak niet grondig onderzocht en zijn de optische schijven niet beschikbaar gesteld voor onderzoek? Het OM had dan de advocatuur en critici triomfantelijk de spot kunnen drijven met een onderzoek dat alle aantijgingen wegvaagde! Het gebeurde niet. Onder druk van de verdediging is een begin gemaakt met het ophelderen van onduidelijkheden, maar een gedegen onderzoek heeft niet plaatsgevonden. En dat roept nog meer vragen op,

Een volgende voor de hand liggende vraag is of er in de ogen van het OM wellicht een zwaarwegende reden was om de zaak niet grondig te onderzoeken. Zou dit de reden kunnen zijn dat het OM zich schaamde voor de negatieve aandacht voor de telefoontaps? Dat zou een ernstige inschattingsfout zijn, omdat de opsporingstechnieken van het Nederlandse Openbaar Ministerie onberispelijk moeten zijn en daarmee de legitimiteit van het strafrecht aantasten. Of was het de reden dat het OM op de hoogte was van de storingen in het telefoontapsysteem in Nederland? Of was het misschien op de hoogte van opzettelijke manipulatie in de Baybasin-zaak? Als dat zou blijken, zou dat leiden tot een crisis in de opsporingswereld vergelijkbaar met de ‘IRT-affaire’. Het zou een strijdbijl zijn voor de legitimiteit van de Nederlandse rechtsorde, want als justitie zich niet aan de spelregels houdt, waarom zou de burger dat dan doen? Uit het onderzoek blijkt dat bepaalde gesprekken waarschijnlijk in Engeland of Turkije zijn opgenomen, en in ieder geval niet in Nederland. Het is daarom vrij onwaarschijnlijk dat deze gesprekken ooit binnen een Nederlands afluistersysteem hebben gestaan, en geïmporteerd moeten zijn uit het buitenland. Zijn deze oproepen ooit op de optische schijf van de afluisterkamer terechtgekomen? En dan blijkt dat het systeem in de afluisterruimte onveilig is, omdat iemand illegaal heeft kunnen knoeien met een tapdossier van een Nederlands opsporingsonderzoek. Zo niet, en de oproepen werden op een band of cd opgeslagen, dan was dat de reden waarom het OM de optische schijf niet wilde vrijgeven.

Baybasin bezet nu de dagen van zijn levenslange gevangenisstraf met schilderen en andere activiteiten. Hij vestigt zijn hoop op het mogelijk aan het licht komen van nieuwe feiten rond zijn onderzoek die een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad zouden kunnen ondersteunen. Deze procedure kan aanleiding zijn om de zaak terug te verwijzen naar het Gerechtshof. Een lange weg, maar het is de laatste druppel die het Nederlandse rechtssysteem hem biedt.

[1] De uitzending (2-6-2003) is te zien op internet op www.zembla.tv
[2] De verklaring van H. Topcu, in het strafdossier van Baybasin
[3] In het dossier staat dat alle gesprekken zijn opgenomen op optische schijfjes in de Apeldoornse digitale afluisterruimte van het Korps landelijke politiediensten.
[4] Een beroepschrift bij de Autoriteit Persoonsgegevens is geblokkeerd door het College van Procureurs-Generaal.
[5] Dit team opereert nu deels onder de Rijksrecherche.
[6] Interview met een voormalig medewerker van de Interregionale Recherche Noordoost Nederland, september 2004
[7] Zie Hans Nelen, Els Barendse, Jaqueline van der Schaaf: Mondiaal met man en macht, WODC juli 1998). In dit document wordt ingegaan op de gang van zaken in de 4M-zaak.
[8] Lijst aanwezigen conferentie Rotterdam
[9] Verklaring Schalks 8 juni 1999 aan de rechter-commissaris, 97/1056
[10] Memo IND, strafdossier Baybasin
[11] Verklaring H. Topcu, dossier Baybasin
[12] Het Hof van Beroep negeerde de verklaring van Topcu volledig.
[13] Verklaring van Anton Schalks aan de rechter-commissaris 8 juni 1999 97/1056
[14] Een deel van de vertalingen door de politietolken is nagekeken door een Koerdische hoogleraar taal- en letterkunde, Van Bruinesse. Verschillende van de vertalingen bleken volkomen onbevredigend te zijn.
[15] Zie de rapporten van Kuylman, Van de Ven en Dickey.
[16] Bel 140. De oproepnummers verwijzen naar de labels op de aan Baybasin ter beschikking gestelde cassettebandjes.
[17] De advocaat van Baybasin markeerde 121 telefoontjes als verdachte.
[18] Rapport M. Kuylman, d.d. 16 juli 2002
[19] Rapport BG Dickey, d.d. 11 april 2003
[20] Rapport JWM Van de Ven, d.d. 5 juni 2002
[21] Rapport BG Dickey, d.d. 11 april 2003

[22] Rapport Broeders, 22 december 2000
[23] Rapport Broeders, 1993, Het Forensisch Onderzoek van Audio-opnamen, in Modus (NFI) nr.1 [24]
Rapport JWM Van de Ven, 15 juli 2002
[25] Arrest Gerechtshof Den Bosch, juli 2002
[26] Rapport Van de Ven 27-6-2004
[27] Automatic Gain Control (AGC)
[28] Zie hoofdstuk 3 voor een toelichting op de frequenties (DTMF tonen) geproduceerd door op toetsen te drukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


            

            

                        
            
            
assignment_turned_in Registrations
No Registration form is selected.
(Click on the star on form card to select)
Please login to view this page.
Please login to view this page.
Please login to view this page.