BIJLAGEN

LIJST VAN DOOR DE COMMISSIE GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Bauwens 1997 – E.C.G.B. Bauwens, Het Nationaal Gerechtshof 1802-1811 (diss. Leiden), Amsterdam: Van Soeren & Co 1997.
Blok & Besier 1925 – A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Eerste deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925.
Blok & Besier 1926 – A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Derde deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1926.
Boogaard & Uzman 2021 – G. Boogaard & J. Uzman, ‘Commentaar op artikel 119 van de Grondwet’ in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknecht (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, nederlandrechtsstaat.nl, webeditie 2021.
Bos 1976 – J.T.K. Bos, ‘Vervolging en opsporing door de P-G’, NJB 1976, afl. 18, p. 589-596.
Bovend’Eert 1991 – P.P.T. Bovend’Eert, ‘Kamerlid en ambtsmisdrijven’, NJB 1991, afl. 41, p. 1666-1667.
Bovend’Eert 1992 – P.P.T. Bovend’Eert, ‘Kamerlid en ambtsmisdrijven (II), NJB 1992, afl. 26, p. 824-825.
Bovend’Eert 2002 – P.P.T. Bovend’Eert, Ministeriële verantwoordelijkheid, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2002.
Bovend’Eert 2003 – P.P.T. Bovend’Eert, ‘Ambtsmisdrijven in de affaire Margarita?’, NJB 2003, afl. 13, p. 674-675.
Bovend’Eert 2008 – P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008.
Bovend’Eert 2015 – P.P.T. Bovend’Eert, Reflectie op de brief van het presidium van de Tweede Kamer van 12 november 2015 betreffende het instellen van een commissie van onderzoek, 22 november 2015, opgenomen in bijlage 7 bij het rapport van de commissie-Schouten, Kamerstukken II 2015/16, 34340, nr. 2, p. 73-76.
Bovend’Eert 2016 – P.P.T. Bovend’Eert, ‘Hoe is het gesteld met de ambtelijke integriteit van de leden van het parlement?’, NJB 2016, afl. 42, p. 3104-3113, NJB 2016/2172.
Bovend’Eert & Kummeling 2017 P.P.T. Bovend’Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, twaalfde druk, Deventer: Kluwer 2017.
Van der Braak 2019 – B. van der Braak ‘Achtergrond: alleen verzoeken tot vervolging wegens ambtsmisdrijven’, parlement.com en denederlandsegrondwet.nl, 2 december 2019
Broeksteeg 2004 – J. L. W. Broeksteeg, Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid in het staatsrecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2004.
Broeksteeg 2016 – J.L.W. Broeksteeg, ‘Strafrechtelijke vervolging van politieke ambtsdragers: naar een normalisering van procedures’, TvCR 2016, p. 148-152.
Broeksteeg, Sikkema & Warmelink 2000 J.L.W. Broeksteeg, E. Sikkema & H.G. Warmelink, ‘Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers: ruime verantwoordelijkheid, beperkte vervolgbaarheid’, NJB 2000, afl. 19, p. 965-971.
Buijs 1884 – J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Tweede deel, Arnhem: Gouda Quint 1884 (herdruk 1887). Digitaal raadpleegbaar via: https://catalog.hathitrust.org/Record/100353575.
Buruma 2009 – Y. Buruma, annotatie bij Hof Amsterdam 21 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:BH0496, NJ 2009/191.
Cnossen & Gerards 2020 – J. Cnossen & J.H. Gerards, annotatie bij EHRM 29 mei 2020 (Advisory opinion), Nieuwsbrief EHRC, ehrc-updates.nl, 23 juli 2020.
Commissie Prinsjesdagstukken 2010 – Commissie Prinsjesdagstukken, Publiek geheim (rapport januari 2010), bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32173, nr. 2.
Commissie-Schouten 2016 – Verslag van de commissie van onderzoek van de Tweede Kamer inzake het mogelijk lekken van informatie uit de CIVD (commissie-Schouten) van 20 januari 2016, Kamerstukken II 2015/16, 34340, nr. 2.
Corstens/Borgers & Kooijmans 2021 – G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, tiende druk, Deventer: Kluwer 2021.
Dingemanse 2008 – A. Dingemanse, aant. op art. 483-485 Sv (suppl. 167, juli 2008), in: A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a., Het wetboek van strafvordering, Deventer: Kluwer (losbladig).
Duin e.a. 2017 – J. Duin e.a., ‘Strafrechtelijke vervolging van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen’, NJB 2017, afl. 12, p. 790-799, NJB 2017/667.
Elzinga 1985 – D.J. Elzinga, ‘Over de Hoge Raad als Forum Privilegiatum voor parlementariërs en bewindslieden. Een speciale procedure met verschillende inconsistenties’, TvO 1985, afl. 20, p. 424-428.
Elzinga 1994 – D.J. Elzinga, Ministeriële verantwoordelijkheid in Nederland, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994.
Elzinga 2011 – D.J. Elzinga, ‘De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid moet op de helling’, in: A.J. Nieuwenhuis, J.H. Reestman & C.M. Zoethout (red.), Rechterlijk activisme, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.A. Peters, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 77-95.
Elzinga, Hoogers & De Lange 2014 – D.J. Elzinga, G. Hoogers & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 16e druk, Deventer: Kluwer 2014.
Fokkens & Machielse 2002 – J.W. Fokkens & A.J. Machielse, aant. op art. 355 en 356 Sr (suppl. 116, januari 2002), in: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer & J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, zevende druk, Deventer: Kluwer (losbladig).
Hardt 2013 – S. Hardt, Parliamentary Immunity. A Comprehensive Study of the Systems of Parliamentary Immunity in the United Kingdom, France and the Netherlands in a European Context (diss. Maastricht), Cambridge: Intersentia 2013.
Van Hasselt 1979 – Van Hasselt. Verzameling van Nederlandse staatsregelingen en grondwetten, 16e druk, Alphen aan den Rijn: Samsom Uitgeverij 1979.
Hirsch Ballin 2015 – E.M.H. Hirsch Ballin, Notitie op verzoek van de commissie-Schouten van 23 november 2015, opgenomen in bijlage 7 bij het rapport van de commissie-Schouten, Kamerstukken II 2015/16, 34340, nr. 2, p. 77-79.
Van Hoorn 2019 – A.M. van Hoorn, aant. op de Tweede afdeeling van titel I van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering, in : C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, 13e druk, Deventer: Kluwer 2019.
Jans 2018 – A. Jans, ‘De wet ministeriële verantwoordelijkheid 1855 in een modern jasje’, TvCR 2018, afl. 3, p. 235-241.
Jensma 2018 – F. Jensma, ‘Nixon, Trump en Rutte: hoe het recht ze raakt’, NRC 20 mei 2018.
De Jong 2005 – D.H. de Jong, ‘Corruptie en strafrecht, de rol van het strafrecht bij het bewaken van de integriteit van het openbaar bestuur in de verschillende landen van het koninkrijk’, in: A.H.E.C. Jordaans, P.A.M. Mevis & J. Wöretshofer (red.), Praktisch strafrecht. Liber amicorum J. Reijntjes, Nijmegen: Wolf Legal Pubslishers 2005, p. 265-283.
Van Kempen 2019 – P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Hooggeplaatste politici, corruptie en de functie van het strafrecht. Sociaalwetenschappelijke wetenswaardigheden en juridische suggesties voor de commissie- Fokkens en het parlement’, DD 2019, afl. 4, p. 235-251, DD 2019/17.
Korthals Altes 2017 – F. Korthals Altes, ‘23A De zaak-Bosio’, behorend bij: F. Korthals Altes, Zeven politieke levens. Herinneringen in dossiers, Amsterdam: Boom 2017; als extra hoofdstuk 22B raadpleegbaar via zevenpolitiekelevens.nl.
Kortmann 1987 – C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987.
Kortmann 2016 – C.A.J.M. Kortmann e.a., Constitutioneel recht, herziene zevende druk, Deventer: Kluwer 2016.
Kranenburg 1933 – R. Kranenburg, Het Nederlandsch staatsrecht, Eerste deel, vierde druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willlink & Zoon 1933.
Linthorst 2018 – H.M. Linthorst, Proeve van een verbeterde Grondwet, Den Haag: Boom juridisch 2018.
Nehmelman 2010 – R. Nehmelman, ‘De verboden politieke meningsuiting als ambtsmisdrijf’, in: R. Nehmelman (red.), Parlementaire immuniteit vanuit een Europese context bezien, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010, p. 7-23.
Oud 1967 – P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden I, tweede druk, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967. Parlement.com/Ministeriële verantwoordelijkheid
‘Ministeriële verantwoordelijkheid’, parlement.com (geraadpleegd 6 april 2021).
Pesselse 2018 – G. Pesselse, Verlofstelsels in strafzaken. De toelaatbaarheid van het bezwaarvereiste, het verlofstelsel in hoger beroep en het selectiestelsel in cassatie onder de mensenrechten op beroep en een eerlijk proces (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2018.
Prins 1972 – W.F. Prins, ‘Constitutionele misvattingen’, NJB 1972, afl. 15, p. 400-405.
Van Raalte 1958 – E. van Raalte, Het Nederlandse Parlement, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf 1958.
Reijntjes 2000 – J.M. Reijntjes, aant. op art. 7 Sv, in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a., Het wetboek van strafvordering, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt 1 december 2000).
Remmelink 1994 – J. Remmelink, aant. op art. 483-485 Sv (suppl. 90, oktober 1994), in: A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a., Het wetboek van strafvordering, Deventer: Kluwer (losbladig).
Van de Riet 2018a – J. van de Riet, ‘Een voortzetting van de politiek met andere middelen? De geschiedenis van de ambtsmisdrijenprocedure van artikel 119 Grondwet’, NOVUM 2018, afl. 4, p. 8-10.
Van de Riet 2018b – J. van de Riet, ‘Een voortzetting van de politiek met andere middelen? De geschiedenis van de ambtsmisdrijenprocedure van artikel 119 Grondwet’, NOVUM 2018, afl. 5, p. 12-14.
Van Rijn 2019 – A. van Rijn, Handboek Caribisch Staatsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2019.
Van Roomen 2020 – T.R. van Roomen, aant. op Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, 13e druk, Deventer: Kluwer 2020.
Royer 1988 – S. Royer, ‘De Hoge Raad als feitenrechter’, in: J. van Soest e.a. (red.), De Hoge Raad der Nederlanden 1838-1938. Een portret, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988, p. 127-139.
Van Sasse van Ysselt 2020 – P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, ‘Advies Protocol 16 EVRM inzake de adviesprocedure en wetgevingstechniek van doorverwijzing naar constitutionele normen in het licht van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel’, NTM/NJCM-Bulletin 2020, afl. 4, p. 499-514.
Schutgens 2013 – R.J.B. Schutgens, ‘Parlementaire immuniteit’, in: Immuniteiten. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging, deel 2013-I), Deventer: Kluwer 2013, p. 5-62.
Sikkema 2007 – E. Sikkema, ‘Hoge bomen vangen (nog) geen wind’, in B.F. Keulen, G. Knigge & H.D. Wolswijk (red.), Pet af. Liber amoricum D.H. de Jong, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 412-440.
Sikkema 2021 – E. Sikkema, ‘De aangifte tegen (oud-)bewindslieden in de toeslagenaffaire’, TBS&H 2021, afl. 3, p. 226-229.
Silvis 2021 – J. Silvis (in hoedanigheid van procureur-generaal bij de Hoge Raad), Aangifte tegen bewindspersonen in de Toeslagenaffaire. Een oriënterend onderzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, d.d. 24 februari 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 31066, nr. 799.
Stellinga 1976 – J.R. Stellinga, ‘Nogmaals de vervolging door de procureur-generaal’, NJB 1976, p. 879-880.
Sybenga 1894 – T. Sybenga, De Grondwet van 1887 toegelicht, ook in verband met de praktijk, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1894.
Thorbecke 1843 – J. R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, tweede deel, Johannes Müller, Amsterdam 1843, 2e uitgave.
Valkenburg 2019 – W.E.C.A. Valkenburg, aant. op titel I van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering, in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, 13e druk, Deventer: Kluwer 2019.
Vennix 2000 – R.J. Vennix, ‘Korthals en Peper met proefproject Millinxbuurt mogelijk verdacht van ambtsmisdrijf’ NJB 2000, afl. 1, p. 14-15.
Verhulst 2016 – M.J.M. Verhulst, ‘Openbare vervolging: over het vervolgingsmonopolie van de Tweede Kamer bij ambtsmisdrijven’, TvCR 2016, p. 142-147.
Verhulst & Boogaard 2016 M. Verhulst & G. Boogaard, ‘Het hondje van minister Pels Rijcken. Over verwijzingen naar eerdere vervolgingen van politieke ambtsdragers’, NJB 2016, afl. 2, p. 122-123, NJB 2016/74.
Visser 2008 – R.K. Visser, In dienst van het algemeen belang. Ministeriële verantwoordelijkheid en parlementair vertrouwen, Amsterdam: Boom 2008.
Vlaar 1985 – S.N. Vlaar, ‘De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid’, TvO 1985, afl. 14, p. 287-293. De Wijkerslooth & Simonis
J.L. de Wijkerslooth & J. Simonis, ‘De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen’, NJB 2004, afl. 13, p. 672-678.
Van der Woude 2020 – M.A.H. van der Woude, aant. op art. 84 Sr, in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, 13e druk, Deventer: Kluwer 2020.

  1. INSTELLINGSREGELING EN BENOEMINGS- EN
    VERGOEDINGENBESLUIT + WIJZIGINGEN

RELEVANTE WET- EN REGELGEVING
Artikelen 117 tot en met 119 Grondwet

Artikel 117

De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.
In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.
De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118

De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.
Artikel 119
De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen
Hoofdstuk 1. De verantwoordelijkheid van ministers en staatssecretarissen
Artikel 1

Onze Ministers dragen zorg voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor
zover die van de regering afhangt.

Zij zijn wegens het niet naleven van deze verplichting verantwoordelijk en in rechte vervolgbaar
overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 2.
Artikel 2
De medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten door een of meer ministers of
staatssecretarissen wijst de voor die wetten en koninklijke besluiten verantwoordelijke ministers of
staatssecretarissen aan.
Hoofdstuk 2. Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en
staatssecretarissen.
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
164
a. ambtsdelicten: ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen, begaan door een lid van de Staten-
Generaal, een minister of een staatssecretaris in die betrekking;
b. vervolging: vervolging wegens een ambtsdelict.

Onder ambtsdelicten worden mede verstaan strafbare feiten begaan onder een der
verzwarende omstandigheden, omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 4

De leden van de Staten-Generaal, Onze ministers en de staatssecretarissen staan, ook na hun
aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad.

De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede
Kamer.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht aan de ontvangen opdracht tot vervolging
onmiddellijk gevolg te geven.
§ 2. Opdracht tot vervolging door de regering
Artikel 5

Het koninklijk besluit waarbij de opdracht wordt gegeven tot vervolging bevat een nauwkeurige
aanduiding van het ten laste gelegde feit en de opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge
Raad om de vervolging in te stellen.

Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden.
Artikel 6
Indien bij koninklijk besluit opdracht is gegeven tot vervolging, neemt de Tweede Kamer geen
aanklacht tegen dezelfde persoon wegens dezelfde feiten in overweging.
§ 3. Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer
Artikel 7
Indien ten minste vijf leden van de Tweede Kamer een schriftelijke en met redenen omklede
aanklacht indienen wegens een vermoedelijk ambtsdelict, beslist de Tweede Kamer of zij die
aanklacht in overweging neemt.
Artikel 8
Alvorens de Tweede Kamer beslist of zij de aanklacht in overweging neemt, stelt de voorzitter van
de Tweede Kamer degene tegen wie de aanklacht is gericht in de gelegenheid naar diens keuze
schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 9
Indien de Tweede Kamer besluit tot het in overweging nemen van de aanklacht, stelt zij een
commissie van onderzoek in.
Artikel 10
De Tweede Kamer benoemt de leden van de commissie van onderzoek uit haar midden. Leden
die de aanklacht hebben ingediend, kunnen geen lid zijn van de commissie. Wel kunnen zij door
de commissie ten behoeve van het geven van nadere inlichtingen worden gehoord.
Artikel 11

De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden,
inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden.
165

De hoofdstukken 3, 4, 5 en 7 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. degene tegen wie de aanklacht is gericht niet verplicht is de commissie van onderzoek
medewerking te verlenen;
b. artikel 217 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 12
In iedere stand van het onderzoek is de commissie van onderzoek verplicht om degene tegen wie
de aanklacht is gericht, indien deze dit wenst, te horen.
Artikel 13
Zodra de commissie van onderzoek de aanklacht genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de
daarbij aangevoerde feiten verslag uit aan de Tweede Kamer.
Artikel 14

Bij de beraadslaging over de aanklacht wordt degene tegen wie de aanklacht is gericht gehoord,
indien deze daarom verzoekt. Aan deze persoon wordt in ieder geval het laatst het woord
gegeven.

Het eerste lid geldt eveneens indien voor of tijdens het onderzoek het kamerlidmaatschap van
het betrokken lid van de Staten-Generaal is beëindigd of aan de betrokken minister of
staatssecretaris ontslag is verleend.
Artikel 15

Indien de Tweede Kamer een aanklacht als bedoeld in artikel 7 niet in overweging heeft
genomen, kan zij deze bij het opkomen van nieuwe bezwaren alsnog in overweging nemen.
Eveneens kan in dat geval bij koninklijk besluit de opdracht worden gegeven tot vervolging van
dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Indien de Tweede Kamer de aanklacht na gedaan onderzoek en gehouden beraadslaging heeft
verworpen, kan ten aanzien van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten noch door de regering
noch door de Tweede Kamer opnieuw onderzoek worden gedaan noch een opdracht tot
vervolging worden gegeven.
Artikel 16

Een aanklacht wordt geacht te zijn verworpen indien de Tweede Kamer binnen drie maanden na
de indiening van de aanklacht geen eindbeslissing heeft genomen.

De Tweede Kamer kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, te verlengen met ten
hoogste twee maanden.
Artikel 17
Indien een aanklacht overeenkomstig artikel 16 wordt geacht te zijn verworpen, blijft de regering
bevoegd om bij koninklijk besluit de opdracht te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens
dezelfde feiten.
Artikel 18

De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en
het staatsbelang.

Indien de Tweede Kamer genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht, geeft zij opdracht
aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen. Het daartoe
strekkende besluit bevat een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit. Binnen drie
dagen nadat de Tweede Kamer het besluit heeft genomen, wordt dit tezamen met de aanklacht en
de verzamelde informatie toegezonden aan de procureur-generaal.
166

Een afschrift van het besluit wordt toegezonden aan de betrokkene, aan Onze Minister van
Justitie en Veiligheid en aan de Eerste Kamer.
Artikel 19
Indien de Tweede Kamer opdracht heeft gegeven tot vervolging, kan bij koninklijk besluit geen
opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.
Artikelen 20-35
[Vervallen]
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 36
Een vordering tot vergoeding van schade, geleden door een ambtsdelict als bedoeld in hoofdstuk
2, kan slechts berusten op een veroordeling door de Hoge Raad en kan uitsluitend bij de
burgerlijke rechter worden ingesteld.
Artikel 37
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden
Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.
Artikelen 76 en 111 Wet op de rechterlijke organisatie
Artikel 76

De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste ressort, kennis van de
ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de
ministers en de staatssecretarissen.

Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan
onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van
Strafrecht.

In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Hoge Raad tevens bevoegd kennis te
nemen van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde
partij.

In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de Hoge Raad met een aantal van
tien raadsheren. Bij het staken der stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de verdachte
gedaan.
Artikel 111

Er is een parket bij de Hoge Raad, aan het hoofd waarvan de procureur-generaal bij de Hoge
Raad staat.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met:
a. de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-
Generaal, de ministers en de staatssecretarissen;
b. het nemen van aan de Hoge Raad uit te brengen conclusies in de bij de wet bepaalde gevallen;
c. de instelling van cassatie «in het belang der wet»;
d. de instelling van vorderingen tot het door de Hoge Raad nemen van beslissingen als bedoeld in
hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

In de gevallen waarin de Hoge Raad ten principale recht doet, neemt de procureur-generaal bij
de Hoge Raad de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.
167

Bij de wet kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook met andere taken worden belast.

De bevoegdheden van de procureur-generaal kunnen, tenzij de aard van de bevoegdheden zich
daartegen verzet, mede worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal en
door advocaten-generaal.
Vierde Boek, Titel I, Wetboek van Strafvordering (Strafvordering ter zake van
strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt, artikelen
483 t/m 485)
Titel I. Strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg
kennis neemt
Artikel 483
[Vervallen]
Artikel 484

De strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg
kennis neemt, vindt overigens plaats met overeenkomstige toepassing van de regelen omtrent de
strafvordering in eersten aanleg van feiten waarvan de rechtbank kennis neemt, behoudens de
navolgende uitzonderingen:
1°. Indien de procureur-generaal zulks vordert, wordt door den Hoogen Raad een raadsheercommissaris
uit zijne leden aangewezen.
2°. [Vervallen]
3°. Niet van toepassing zijn de bepalingen betreffende de verplichtingen van den officier van
justitie tegenover den procureur-generaal bij het gerechtshof en diens toezicht op de vervolging
van strafbare feiten.
4°. In geval van een doorzoeking van plaatsen of eene schouw, kan zich de raadsheercommissaris
doen vervangen door den rechter-commissaris, de procureur-generaal bij den
Hoogen Raad door de officier van justitie in het arrondissement waar de doorzoeking of de schouw
moet geschieden.
5°. In geval van vervolging, bedoeld in De Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten
leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen, zijn niet van toepassing de artikelen 237,
238, 241c tot en met 255, 262, 313 en 314, en behelst de dagvaarding een opgave van het feit in
de opdracht tot vervolging uitgedrukt.
6°. Tegen de beslissingen van den Hoogen Raad is geen beroep of bezwaarschrift toegelaten.

Een onbevoegdverklaring wordt niet uitgesproken indien het feit een misdrijf of overtreding
oplevert, waarvan een andere rechter kennisneemt, en de verdachte de verwijzing naar die rechter
niet heeft verzocht.
Artikel 485
De vervolging der mede-verdachten van dengene die voor den Hoogen Raad terechtstaat, heeft
voor hetzelfde college plaats.
Artikel 44 Wetboek van Strafrecht
Artikel 44
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt
of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door
168
zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een
derde worden verhoogd.
Tweede Boek, Titel XXVIII, Wetboek van Strafrecht (Ambtsmisdrijven, artikelen 355
t/m 380)
Artikel 355
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, worden
gestraft de ministers of staatssecretarissen:
1°. die hun medeondertekening verlenen aan koninklijke besluiten, wetende dat daardoor de
Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van bestuur worden geschonden;
2°. die uitvoering geven aan koninklijke besluiten, wetende dat deze niet van de vereiste
medeondertekening van een minister of staatssecretaris zijn voorzien;
3°. die beschikkingen nemen of bevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen
handhaven, wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van
bestuur worden geschonden;
4°. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet of andere
wetten of algemene maatregelen van bestuur, voor zover die uitvoering wegens de aard van het
onderwerp tot hun taak behoort of uitdrukkelijk hun is opgedragen.
Artikel 356
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie worden gestraft
de ministers en staatssecretarissen aan wier grove schuld te wijten is dat de in artikel 355, onder
4°, omschreven uitvoering wordt nagelaten.
Artikel 357
De bevelhebber van de gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat op de wettige vordering
van het bevoegde burgerlijk gezag de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 358

De ambtenaar die opzettelijk de bijstand van de gewapende macht inroept tegen de uitvoering
van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke
uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vierde categorie.

Indien die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 359
De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die
opzettelijk geld of geldswaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduistert of
toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of die ander daarbij als
medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 360
De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die
opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie, valselijk
opmaakt of vervalst, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
169
Artikel 361

De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon,
die opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen,
akten, bescheiden of registers, welke hij in zijn bediening onder zich heeft verduistert, vernielt,
beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden weggemaakt, vernield,
beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie.

Onder bevoegde macht wordt mede verstaan: een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht
ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.
Artikel 362
[Vervallen]
Artikel 363

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft de ambtenaar:
1°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat
deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening
iets te doen of na te laten;
2°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat
deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen
door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;
3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening
iets te doen of na te laten;
4°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen
door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van een dienstbetrekking bij een
overheidswerkgever, indien de dienstbetrekking bij een overheidswerkgever is gevolgd, een feit
begaat als in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van
minister, staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder of
lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 364

De rechter die een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat
deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde invloed uit te oefenen op de beslissing
van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

De rechter die een gift, belofte of dienst vraagt teneinde hem te bewegen om invloed uit te
oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Indien de gift, belofte of dienst wordt aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat
deze gedaan, verleend of aangeboden wordt om een veroordeling in een strafzaak te verkrijgen,
wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.

Indien de gift, belofte of dienst wordt gevraagd teneinde hem te bewegen om een veroordeling
in een strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste
twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
170
Artikel 364a

Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 361, 363, 365 tot en met 368 en 376
gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke
organisatie.

Met ambtenaren worden ten aanzien van artikel 363, onder 2° en 4°, voormalige ambtenaren
gelijkgesteld.

Met rechter wordt ten aanzien van artikel 364 gelijkgesteld de rechter van een vreemde staat of
van een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 365
De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 366
De ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een
ander ambtenaar of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt
hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 367

De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens
rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hem opzettelijk laat ontsnappen of
bevrijdt of bij zijn bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijn schuld te wijten is, wordt hij gestraft
met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 368

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft:
1°. de ambtenaar, met het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de
vordering om van een wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen blijken of daarvan aan de hogere
macht opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;
2°. de ambtenaar die, na in de uitoefening van zijn bediening kennis te hebben bekomen dat
iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis
te geven aan een ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.

De ambtenaar aan wiens schuld enig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 369
[Vervallen]
Artikel 370

De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij
de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens
ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of
vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
171

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die ter gelegenheid van het doorzoeken van
plaatsen met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet
bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt.
Artikel 371

De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag
neemt een aan enige openbare instelling van vervoer toevertrouwde brief, briefkaart, stuk of
pakket, of een telegrafisch bericht dat zich in handen bevindt van een persoon belast met de
dienst van een ten algemenen nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Met dezelfde straf wordt gestraft de ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid,
zich door een persoon werkzaam bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of
een openbare telecommunicatiedienst doet inlichten ter zake van enig verkeer dat over dat
netwerk dan wel met gebruikmaking van die dienst is geschied.
Artikelen 372 tot en met 375
[Vervallen]
Artikel 376
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft de ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen of
leveranties waarover hem op het tijdstip van de handeling geheel of ten dele het bestuur of
toezicht is opgedragen.
Artikel 377
De ambtenaar van het muntwezen, behalve de muntmeester, of degene, in dienst van een
waarborginstelling als bedoeld in artikel 4 van de Waarborgwet 2019, die handel drijft in edele
metalen of daarvan vervaardigde voorwerpen, of opzettelijk aan zodanige handel middellijk of
onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 378
Degene, in dienst van een waarborginstelling als bedoeld in artikel 4 van de Waarborgwet 2019,
die een aan die waarborginstelling aangeboden palladium, platina, gouden of zilveren voorwerp
afdrukt of natrekt of daarvan een beschrijving geeft aan een ander dan die van ambtswege
bevoegd is haar te vorderen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 379

De ambtenaar van de burgerlijke stand die meewerkt aan iemands huwelijksvoltrekking,
wetende dat deze daardoor een dubbel huwelijk aangaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

De ambtenaar van de burgerlijke stand die meewerkt aan iemands huwelijksvoltrekking,
wetende dat daartegen enig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 380

Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 355, 357 en 358 omschreven misdrijven kan
ontzetting van het in artikel 28, eerste lid, onder 3°, vermelde recht worden uitgesproken.

Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 359, 363, 364, 366 en 379, eerste lid,
omschreven misdrijven kan ontzetting van het in artikel 28, eerste lid, onder 4°, vermelde recht
worden uitgesproken.
172
Derde Boek, Titel VIII, Wetboek van Strafrecht (Ambtsovertredingen, artikelen 462
t/m 468a)
Artikel 462
De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifte van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zodanig
afschrift of uittreksel uitgeeft alvorens het vonnis behoorlijk is ondertekend, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
Artikel 463
De ambtenaar die zonder verlof van het bevoegd gezag afschrift maakt of uittreksel neemt van
geheime regeringsbescheiden of die openbaar maakt, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 464
Het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorlopig aangehoudenen
of gegijzelden, of van een rijksinrichting voor kinderbescherming of psychiatrisch ziekenhuis, die
iemand in het gesticht of ziekenhuis opneemt of houdt zonder zich het bevel van de bevoegde
macht of de rechterlijke uitspraak te hebben laten vertonen, of die nalaat van deze opneming en
van het bevel of de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijn registers de vereiste
inschrijving te doen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 465
De ambtenaar van de burgerlijke stand die nalaat vóór de voltrekking van een huwelijk zich de
bewijsstukken of verklaringen te laten geven die door enig wettelijk voorschrift worden gevorderd,
wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 466
De ambtenaar van de burgerlijke stand die in strijd handelt met enig wettelijk voorschrift omtrent de
registers of de akten van de burgerlijke stand of omtrent de formaliteiten vóór of de voltrekking van
een huwelijk, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 467
De ambtenaar van de burgerlijke stand die nalaat een akte in de registers op te nemen, wordt
gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 468
Met geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:
1°. de ambtenaar van de burgerlijke stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgaven te doen
die enig wettelijk voorschrift van hem vordert;
2°. de ambtenaar die nalaat aan de ambtenaar van de burgerlijke stand de opgaven te doen die
enig wettelijk voorschrift van hem vordert.
Artikel 468a
Onder ambtenaar van de burgerlijke stand wordt ten aanzien van de artikelen 466-468 verstaan
een ieder die ingevolge enig wettelijk voorschrift met de bewaring van een register van de
burgerlijke stand is belast.

Protocol inzake de behandeling van aangiften bij een ministerie, het openbaar
ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-
Generaal, Ministers en Staatssecretarissen, Ministerie van Justitie en Veiligheid
(Stcrt. 2018, 3803).

  1. VRAGENLIJST EUROJUST
  2. Procedural provisions
    1.1. Does your national law contain specific procedural provisions on criminal offenses committed by government ministers, for example with regard to the initiation of cases and the investigation?
    1.1.a. If so, are these provisions part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?
    1.1.b. If so, are these provisions applicable to all criminal offenses committed by government ministers, or only to specific criminal offenses related to the capacity of government minister?
    1.2. Does your national law contain specific procedural provisions on criminal offenses committed by members of parliament, for example with regard to the initiation of cases and the investigation?
    1.2.a. If so, are these provisions part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?
    f
    1.2.b. If so, are these provisions applicable to all criminal offenses committed by members of parliament, or only to specific criminal offenses related to the capacity of member of parliament?
  3. Specific court
    2.1. Does your national law constitute a specific court to decide on accusations concerning criminal offenses committed by government ministers?
    2.1.a. If so, are the provisions concerned part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?
    2.1.b. If so, is this court competent with regard to all criminal offenses committed by government ministers, or only with regard to specific criminal offenses related to the capacity of government minister?
    2.2. Does your national law constitute a specific court to decide on accusations concerning criminal offenses committed by members of parliament?
    2.2.a. If so, are the provisions concerned part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?
    2.2.b. If so, is this court competent with regard to all criminal offenses committed by members of parliament, or only with regard to specific criminal offenses related to the capacity of member of parliament?
  4. Other specific provisions
    3.1. Does your national law contain other specific provisions concerning criminal offenses committed by government ministers than mentioned above?
    3.1.a. If so, are these provisions part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?
    3.2. Does your national law contain other specific provisions concerning criminal offenses committed by members of parliament than mentioned above?
    3.2.a. If so, are these provisions part of the ordinary rules of criminal law or part of the constitution?

Vertaald:

  1. VRAGENLIJST EUROJUST
  2. Procedurele bepalingen
    1.1. Bevat uw nationale recht specifieke procedurele bepalingen over strafbare feiten gepleegd door ministers, bijvoorbeeld met betrekking tot het instellen van rechtszaken en het onderzoek?
    1.1.a. Zo ja, maken deze bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?
    1.1.b. Zo ja, zijn deze bepalingen van toepassing op alle strafbare feiten gepleegd door ministers, of alleen op specifieke strafbare feiten die verband houden met de hoedanigheid van minister?
    1.2. Bevat uw nationale recht specifieke procedurele bepalingen over strafbare feiten gepleegd door parlementsleden, bijvoorbeeld met betrekking tot het inleiden van zaken en het onderzoek?
    1.2.a. Zo ja, maken deze bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?
    f
    1.2.b. Zo ja, zijn deze bepalingen van toepassing op alle strafbare feiten gepleegd door parlementsleden, of alleen op specifieke strafbare feiten die verband houden met de hoedanigheid van parlementslid?
  3. Specifieke rechtbank 2.1. Bestaat er in uw nationale wetgeving een specifieke rechtbank om te beslissen over beschuldigingen van strafbare feiten gepleegd door ministers?
    2.1.a. Zo ja, maken de betreffende bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?
    2.1.b. Zo ja, is deze rechtbank bevoegd voor alle strafbare feiten gepleegd door ministers, of alleen voor specifieke strafbare feiten die verband houden met de hoedanigheid van minister?
    2.2. Bestaat er in uw nationale wetgeving een specifieke rechtbank om te beslissen over beschuldigingen van strafbare feiten gepleegd door parlementsleden?
    2.2.a. Zo ja, maken de betreffende bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?
    2.2.b. Zo ja, is deze rechtbank bevoegd voor alle strafbare feiten gepleegd door parlementsleden, of alleen voor specifieke strafbare feiten die verband houden met de hoedanigheid van parlementslid?
  4. Andere specifieke bepalingen
    3.1. Bevat uw nationale wetgeving andere specifieke bepalingen met betrekking tot strafbare feiten gepleegd door ministers dan hierboven vermeld?
    3.1.a. Zo ja, maken deze bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?
    3.2. Bevat uw nationale recht andere specifieke bepalingen met betrekking tot strafbare feiten gepleegd door parlementsleden dan hierboven vermeld?
    3.2.a. Zo ja, maken deze bepalingen deel uit van de gewone regels van het strafrecht of van de grondwet?

Referenties:

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


            

            

                        
            
            
assignment_turned_in Registrations
No Registration form is selected.
(Click on the star on form card to select)
Please login to view this page.
Please login to view this page.
Please login to view this page.