ANNEX

CONCEPT VAN

WETSVOORSTEL EN MEMORIE VAN TOELICHTING

BIJ SPOOR I


Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie alsmede intrekking van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen (Herzieningswet ambtsmisdrijven Kamerleden en bewindspersonen)

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven in de zin van artikel 119 van de Grondwet, begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan titel I van het Eerste Boek wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 8e
Indien een lid van de Staten-Generaal, minister of staatssecretaris door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken en zonder welke hij het feit niet zou hebben kunnen begaan, wordt dit feit aangemerkt als ambtsmisdrijf in de zin van artikel 119 van de Grondwet.

B

De artikelen 355 en 356 vervallen.

ARTIKEL II

De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 76 komt te luiden:

Artikel 76

  1. De Hoge Raad neemt in eerste en enige aanleg kennis van ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 483, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hij vormt daartoe een meervoudige kamer.
  2. In zaken als bedoeld in het eerste lid is de Hoge Raad tevens bevoegd kennis te nemen van vorderingen tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van de benadeelde partij.
  3. In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de Hoge Raad met een aantal van zeven raadsheren.

B

Artikel 111, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de vervolging van ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 483, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL III

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13a vervalt.

B

Artikel 162 komt te luiden:

Artikel 162

  1. Openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn in de in het tweede en derde lid genoemde gevallen verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken.
  2. De aangifte wordt gedaan bij de officier van justitie of bij een van zijn hulpofficieren indien:
    a. het misdrijf is begaan door een ambtenaar, niet zijnde een lid van de Staten-Generaal, minister of staatssecretaris, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken; of
    b. door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.
  3. De aangifte wordt gedaan bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad indien het misdrijf een van de misdrijven betreft als bedoeld in artikel 8e of Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht.
  4. De openbare colleges en ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de personen, genoemd in het tweede en derde lid, desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.
  5. De bepalingen van het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zich zelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
  6. Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.
  8. De aangifte van misdrijven, bedoeld in het tweede lid, onder b, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de voorschriften, als bedoeld in het vorige lid, nader worden beperkt.
  9. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zesde of zevende lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Nederlandse Staatscourant is bekend gemaakt en sedert de dag waarop de bekendmaking is geschied twee maanden verstreken zijn.

C

Artikel 464a wordt als volgt gewijzigd:

  1. Onder vernummering van het tweede tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de herzieningsaanvraag betrekking heeft op een uitspraak die overeenkomstig Titel I van het Vierde Boek door de Hoge Raad is gedaan.

In het derde lid (nieuw) wordt ‘de Derde Titel van het Derde Boek’ vervangen door ‘Titel III van het Derde Boek of Titel I van het Vierde Boek’.
D
Aan artikel 473 wordt een lid toegevoegd, luidende:

In het geval, bedoeld in artikel 471, tweede lid, kan het bevel tot gevangenhouding in afwijking van het eerste lid, tweede zin, niet door het gerechtshof, maar door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven.

E

In de artikelen 477, eerste lid, en 482h, tweede lid, wordt tien’ vervangen doorzeven’ en vervalt de tweede zin.

F

Titel I van het Vierde Boek komt te luiden:
Titel I. Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen

Artikel 483

Deze titel is van toepassing op de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen. In deze titel wordt onder ambtsmisdrijven verstaan: de strafbare feiten, bedoeld in artikel 8e, Titel XXVIII
van het Tweede Boek en Titel VIII van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht.

De opsporing, vervolging en berechting vinden plaats overeenkomstig de regels omtrent de opsporing, vervolging en berechting ter zake van feiten waarvan de rechtbank kennisneemt, tenzij in deze titel anders is bepaald.

Artikel 484

Leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden,
wegens ambtsmisdrijven in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad.

De Hoge Raad kan ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad
uit zijn leden een raadsheer-commissaris benoemen.

Al hetgeen in deze wet is bepaald over de rechtbank, de rechter-commissaris en de griffier,
geldt voor de toepassing van deze titel op overeenkomstige wijze ten aanzien van de Hoge
Raad, de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad en de griffier van de Hoge Raad.

Onverminderd het derde lid kunnen de bevoegdheden die in deze wet zijn toegekend aan de
rechter-commissaris in opdracht van de raadsheer-commissaris of op vordering van de
procureur-generaal bij de Hoge Raad eveneens worden uitgeoefend door de rechtercommissaris
bij de rechtbank.

Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kunnen vorderingen gericht aan de
rechter-commissaris bij de rechtbank ook namens de procureur-generaal bij de Hoge Raad
door de officier van justitie worden gedaan.
Artikel 485

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de opsporing en vervolging van
ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.

Al hetgeen in het eerste tot en met het vijfde boek van deze wet is bepaald over de officier van
justitie geldt voor de toepassing van deze titel op overeenkomstige wijze mede ten aanzien van
de procureur-generaal bij de Hoge Raad behoudens hetgeen is bepaald in de artikelen 9, 10
en 148 tot en met 149.

De vervolging, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend ingesteld op grond van een daartoe
strekkende opdracht die overeenkomstig artikel 485d, derde lid is gegeven.
Artikel 485a

De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan een opsporingsonderzoek instellen wanneer hij
kennis krijgt van een ambtsmisdrijf, begaan door een lid van de Staten-Generaal, een minister
of een staatssecretaris.
121

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht een opsporingsonderzoek in te stellen
wanneer hij een daartoe strekkende opdracht heeft ontvangen van de Tweede Kamer of de
regering. De opdracht bevat in elk geval een omschrijving van de feiten waarop het
opsporingsonderzoek betrekking moet hebben.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad bericht de Tweede Kamer en de regering onmiddellijk
over de instelling van een opsporingsonderzoek.
Artikel 485b

Het opsporingsonderzoek vindt plaats onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureurgeneraal
bij de Hoge Raad.

Indien naar zijn oordeel het belang van de opsporing dit vordert, kan de procureur-generaal bij
de Hoge Raad zich bij de uitvoering van het opsporingsonderzoek laten bijstaan door een
onderzoeksteam.

Het in het tweede lid bedoelde team wordt samengesteld uit opsporingsambtenaren en leden
van het openbaar ministerie. Het College van procureurs-generaal verleent de procureurgeneraal
op diens verzoek de nodige bijstand bij de instelling van het onderzoeksteam. De
leden van het onderzoeksteam worden benoemd door de procureur-generaal.

De werkzaamheden van het onderzoeksteam geschieden onder leiding en
verantwoordelijkheid van de procureur-generaal. Hij geeft daartoe de nodige bevelen.

Opsporingsambtenaren, hulpofficieren van justitie en officieren van justitie oefenen in het
kader van het opsporingsonderzoek hun wettelijke bevoegdheden uitsluitend uit voor zover zij
deel uitmaken van het onderzoeksteam.

Indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad gedurende het opsporingsonderzoek kennis
krijgt van een ander misdrijf dan een ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 483, eerste lid, voert
hij overleg met de bevoegde officier van justitie.

Indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad gedurende het opsporingsonderzoek kennis
krijgt van andere feiten of feiten gepleegd door andere personen dan de feiten en personen die
zijn genoemd in het bericht over de instelling van het opsporingsonderzoek als bedoeld in
artikel 485a, derde lid, bericht hij dat aan de Tweede Kamer en de regering indien hij tot de
opsporing van die feiten bevoegd is. Indien de procureur-generaal naar aanleiding daarvan
voornemens is de reikwijdte van het opsporingsonderzoek uit te breiden, maakt hij daarvan
melding.

De artikelen 127 en 128 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn niet van toepassing op
de werkzaamheden van het onderzoeksteam en de bijstand van het College van procureursgeneraal.
Artikel 485c

De Tweede Kamer en de regering gezamenlijk zijn te allen tijde bevoegd de procureurgeneraal
bij de Hoge Raad op te dragen om een lopend opsporingsonderzoek te beëindigen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht onmiddellijk aan de gezamenlijke
opdracht gevolg te geven.
122

Indien de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek enkel door de Tweede Kamer
of de regering wordt gegeven, wint de procureur-generaal bij de Hoge Raad binnen twee
weken na ontvangst van de opdracht het gevoelen over beëindiging van het
opsporingsonderzoek in bij respectievelijk de regering of de Tweede Kamer.

De regering of de Tweede Kamer bericht de procureur-generaal binnen een maand over haar
gevoelen omtrent de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek. Indien dit bericht
strekt tot:
a. beëindiging van het opsporingsonderzoek, gaat de procureur-generaal daartoe onmiddellijk
over;
b. voortzetting van het opsporingsonderzoek, vervolgt de procureur-generaal het
opsporingsonderzoek en bericht hij respectievelijk de Tweede Kamer of de regering daarover.

Indien de regering of de Tweede Kamer niet overeenkomstig het derde lid binnen een maand
de procureur-generaal bericht over haar gevoelen omtrent de opdracht tot beëindiging van het
opsporingsonderzoek, vervolgt de procureur-generaal het opsporingsonderzoek en bericht hij
dat aan de Tweede Kamer en de regering.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid doet van elke opdracht tot beëindiging of voortzetting
van het opsporingsonderzoek die overeenkomstig dit artikel is gegeven door de Tweede
Kamer of de regering, dan wel de Tweede Kamer en regering gezamenlijk, onverwijld
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 485d

Het opsporingsonderzoek wordt gesloten binnen drie maanden gerekend vanaf het tijdstip
waarop de Tweede Kamer en de regering overeenkomstig artikel 485a, derde lid, zijn bericht
over de instelling van het opsporingsonderzoek. Deze termijn kan door de procureur-generaal
bij de Hoge Raad eenmalig met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Daarna kan de
termijn op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad telkens met ten hoogste drie
maanden door de Hoge Raad worden verlengd indien het belang van het onderzoek dit
dringend vordert. De procureur-generaal bij de Hoge Raad bericht de Tweede Kamer en de
regering over iedere verlenging van de termijn.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad bericht de Tweede Kamer, de regering en de
verdachte over de sluiting van het opsporingsonderzoek. Het bericht gaat vergezeld van een
verslag van het opsporingsonderzoek en van een opgave van de feiten ter zake waarvan naar
zijn oordeel vervolging kan plaatshebben.

De Tweede Kamer en de regering kunnen de procureur-generaal bij de Hoge Raad binnen drie
maanden na ontvangst van het bericht over de sluiting van het opsporingsonderzoek:
a. een opdracht tot vervolging geven;
b. berichten dat geen opdracht tot vervolging wordt gegeven; of
c. een opdracht geven tot het verrichten van nader onderzoek.

Een opdracht tot nader onderzoek wordt gegeven onder aanduiding van het onderwerp van het
nader onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit moet worden uitgevoerd. De procureurgeneraal
bij de Hoge Raad is verplicht het nader onderzoek uit te voeren. De artikelen 485b,
485c en het eerste tot en met derde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

Indien de Tweede Kamer en de regering niet binnen drie maanden na ontvangst van het
bericht over de sluiting van het opsporingsonderzoek toepassing hebben gegeven aan het
derde lid, wordt ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw een opsporingsonderzoek ingesteld,
tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden of het opsporingsonderzoek niet
123
overeenkomstig deze titel heeft plaatsgevonden. Artikel 255, tweede tot en met vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 485e

De opdracht tot vervolging, bedoeld in artikel 485d, derde lid, onderdeel a, bevat in elk geval
een omschrijving van de feiten waarvoor vervolging moet worden ingesteld.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht aan de ontvangen opdracht onmiddellijk
gevolg te geven.

De tenlastelegging wordt opgesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad en mag op
straffe van niet-ontvankelijkheid geen andere feiten behelzen dan de feiten die zijn genoemd in
de opdracht tot vervolging.
Artikel 485f
Indien hoger beroep openstaat tegen een beschikking van de rechter-commissaris of van de
raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad wordt dit hoger beroep behandeld door de raadkamer
van de Hoge Raad. Tegen beschikkingen van deze raadkamer staat geen beroep open.
Artikel 485g

De tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die overeenkomstig deze titel door de Hoge
Raad zijn opgelegd vindt plaats overeenkomstig Boek 6, tenzij in deze titel anders is bepaald.

Al hetgeen in Boek 6 is bepaald ten aanzien van:
a. het openbaar ministerie of de officier van justitie, geldt op overeenkomstige wijze ten
aanzien van de procureur-generaal bij de Hoge Raad;
b. de rechter-commissaris, geldt op overeenkomstige wijze ten aanzien van de raadsheercommissaris
bij de Hoge Raad.
Artikel 485h
De artikelen 12 tot en met 13, 70, 71, 72a, 87, tweede en derde lid, 167, 241c tot en met 247, 255,
eerste lid, 255a, 257a tot en met 257h, 262a, 266, 267, 354a, 404 tot en met 456, 535 en 537 zijn
niet van toepassing.
ARTIKEL IV
De Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal,
ministers en staatssecretarissen wordt ingetrokken.
ARTIKEL V
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
124
ARTIKEL VI
Deze wet wordt aangehaald als: Herzieningswet ambtsmisdrijven Kamerleden en
bewindspersonen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
125
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de
rechterlijke organisatie alsmede intrekking van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en
ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen (Herzieningswet
ambtsmisdrijven Kamerleden en bewindspersonen)
MEMORIE VAN TOELICHTING
Artikelsgewijs deel
Artikel I
Onderdeel A
Het voorgestelde artikel 8e Sr drukt uit dat ook de zogeheten oneigenlijke ambtsdelicten onder de
reikwijdte van artikel 119 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om ieder strafbaar feit, waar dan ook
strafbaar gesteld, waarbij een lid van de Staten-Generaal, minister of staatssecretaris door het
begaan van dat feit – kort gezegd – tevens een ambtsplicht schendt of misbruik maakt van het
ambt. Dat dergelijke feiten kwalificeren als ambtsmisdrijf in de zin van artikel 119 Grondwet is niet
nieuw, dit staat thans reeds in artikel 76, tweede lid, Wet RO en in artikel 3, tweede lid, Wmv (tot
19 september 2018 artikel 483, tweede lid, tweede volzin, Sv). Met het voorgestelde artikel 8e Sr
wordt deze bepaling verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht. Wel is nieuw de toevoeging “en
zonder welke hij het feit niet zou hebben kunnen begaan”, waarmee de gangbare uitleg van deze
bepaling wordt gecodificeerd (vgl. par. 6.3.3 van dit rapport).
Duidelijkheidshalve wordt opgemerkt dat artikel 44 Sr onverkort van toepassing is op de in het
voorgestelde artikel 8e Sr bedoelde strafbare feiten. Leden van de Staten-Generaal, ministers en
staatssecretarissen kwalificeren immers als ‘ambtenaar in de zin van artikel 44 Sr. Hieruit volgt dat
de op het betreffende strafbare feit gestelde straf, met uitzondering van de geldboete, met een
derde kan worden verhoogd.
Onderdeel B
In dit onderdeel wordt voorgesteld de artikelen 355 en 356 Sr te schrappen. Zie hierover het
algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Artikel II
Dit artikel betreft een hoofdzakelijk redactionele en technische aanpassing van artikel 76 van de
Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). De enige inhoudelijke aanpassing heeft
betrekking op het aantal raadsheren waarmee de Hoge Raad in de bijzondere procedure voor
ambtsmisdrijven oordeelt. Thans is dit aantal op tien raadsheren bepaald (artikel 76, vierde lid,
Wet RO). Om redenen die hierboven in par. (..) van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting uiteen zijn gezet, wordt voorgesteld dit aantal te bepalen op zeven.
Artikel III, onderdeel A
Artikel 13a Sv regelt de beklagprocedure van artikel 12 e.v. Sv ten aanzien van strafbare feiten
waarvan de Hoge Raad in eerste en enige aanleg kennisneemt. Thans behoren tot deze categorie
strafbare feiten enkel nog ambtsmisdrijven die zijn gepleegd door leden van de Staten-Generaal,
ministers, staatssecretarissen en eventuele medeverdachten (zie voor een uitgebreidere
126
toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel III, onderdeel G).
Zowel in het huidige recht als in de voorgestelde nieuwe procedure kan de vervolging van
dergelijke ambtsmisdrijven enkel plaatshebben indien door de regering of Tweede Kamer een last
tot vervolging aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad is gegeven. Is een dergelijke last niet
gegeven, dan wordt een beklag over het niet-vervolgen van bovengenoemde ambtsdragers
volgens vaste jurisprudentie niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad (vgl. onder andere HR
6 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD3009, HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454,
HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:303 en HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:765).
In het licht van bovenstaande is in de rechtswetenschap bepleit artikel 13a Sv te schrappen omdat
de bepaling tot een dode letter is verworden (A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen (red.), Het Wetboek
van Strafvordering, commentaar op artikel 13a Sv, aantekening 3). De beklagprocedure op grond
van artikel 13a Sv zou nog wel kunnen worden toegepast ten aanzien van medeverdachten van
Kamerleden en bewindspersonen, die in de huidige situatie op grond van artikel 485 Sv eveneens
in eerste en enige aanleg terechtstaan bij de Hoge Raad. Voor de vervolging van deze
medeverdachten is immers geen last van de regering of Tweede Kamer vereist.
Omdat in de voorgestelde nieuwe procedure de vervolging van medeverdachten echter niet langer
in eerste en enige aanleg bij de Hoge Raad (maar conform het reguliere strafprocesrecht in eerste
aanleg bij de rechtbank) plaatsvindt, zal een beklag over het niet-vervolgen van deze
medeverdachten volgens de regels van artikel 12 e.v. Sv moeten worden behandeld en is artikel
13a Sv ten aanzien van die groep niet langer van toepassing. Gelet op het voorgaande wordt dan
ook voorgesteld om artikel 13a Sv te laten vervallen.
Artikel III, onderdeel B
Voor de toelichting op de wijziging van artikel 162 Sv wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting bij het voorgestelde artikel 485a Sv.
Artikel III, onderdelen C tot en met E
Deze onderdelen hebben betrekking op de mogelijkheid tot herziening (Titel VIII van het Derde
Boek) van arresten die in eerste aanleg door de Hoge Raad zijn gewezen. Met het oog op de
wetssystematiek is ervoor gekozen deze wijzigingen door te voeren in Titel VIII van het Derde
Boek die ziet op de herziening, en niet in Titel I van het Vierde Boek, die ziet op de bijzondere
procedure met betrekking tot Kamerleden en bewindspersonen.
Het voorgestelde artikel C heeft betrekking op de onpartijdigheid van de procureur-generaal, de
plaatsvervangend procureur-generaal en advocaten-generaal in herzieningszaken. Met name in
de regeling betreffende de herziening ten voordele (de artikelen 457 tot en met 482 Sv) zijn
belangrijke taken en bevoegdheden aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad toegekend.
Omdat laatstgenoemde echter eveneens is belast met de opsporing en vervolging van
ambtsmisdrijven gepleegd door Kamerleden en bewindspersonen, wordt in onderdeel C geregeld
dat zijn wettelijke bevoegdheden in daarmee samenhangende herzieningsprocedures kunnen
worden uitgevoerd door de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal.
Hierbij is aansluiting gezocht bij het bestaande artikel 464a Sv, dat reeds een
vervangingssystematiek bevat voor de situatie dat de procureur-generaal in de fase van cassatie
(Titel III van het Derde Boek) bevoegdheden had uitgeoefend met betrekking tot de uitspraak waar
de herzieningsaanvraag op ziet. Ook wordt het eerste lid van artikel 464a Sv van overeenkomstige
toepassing verklaard. Hiermee wordt gewaarborgd dat de Hoge Raad bij de beslissing op de
127
herzieningsaanvraag is samengesteld uit raadsheren die niet betrokken zijn geweest bij de
oorspronkelijke einduitspraak van de Hoge Raad.
Indien in voorkomende gevallen een verzoek om herziening ten voordele of ten nadele gegrond
wordt geacht, wordt de zaak naar huidig recht verwezen naar de terechtzitting van de Hoge Raad
indien die herzieningsaanvraag betrekking had op een onherroepelijke uitspraak die door de Hoge
Raad in eerste aanleg is gewezen (artikel 471, tweede lid, Sv, artikel 482h, eerste lid, Sv).
Ingevolge het gewijzigde artikel 477, eerste lid, en artikel 482h, tweede lid, Sv oordeelt de Hoge
Raad in dat geval met zeven raadsheren (onderdeel E). Tegen de beslissingen van de Hoge Raad
is geen beroep of bezwaar toegelaten (artikel 477, tweede lid, en artikel 482h, derde lid, Sv). Gelet
op het feit dat verwezen wordt naar de terechtzitting van de Hoge Raad wordt in onderdeel D,
voorgesteld dat niet het gerechtshof, maar de Hoge Raad bevoegd is om op grond van artikel 473,
eerste lid, tweede zin in voorkomende gevallen een bevel tot gevangenhouding te schorsen of op
te heffen.
Artikel III, onderdeel F
In dit onderdeel wordt de eerste titel van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering
opnieuw vastgesteld. Uit de algemene bewoordingen van het huidige opschrift van deze titel
(Strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis
neemt) kan worden afgeleid dat deze titel oorspronkelijk meer strafbare feiten bestreek dan enkel
ambtsmisdrijven gepleegd door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.1
Dit is inderdaad het geval: in het wetsvoorstel tot invoering van het huidige Wetboek van
Strafvordering bestreek deze titel ook de berechting van de misdrijven zeeroof en kaapvaart, die
eveneens in eerste en enige aanleg plaatsvond bij de Hoge Raad.2 Sinds het vervallen van de
bijzondere bepalingen ten aanzien van zeeroof en kaapvaart met ingang van 12 april 1967 heeft
de eerste titel van het Vierde Boek enkel nog betrekking op ambtsmisdrijven gepleegd door
Kamerleden en bewindspersonen.3 Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld dit ook
uitdrukkelijk in het opschrift van deze titel tot uiting te brengen.
De voorgestelde herziene eerste titel van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering
bevat bijzondere regels voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven begaan
door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen. De opsporing en vervolging
vinden plaats onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
Op grond van artikel 119 Gw vindt de berechting plaats door de Hoge Raad en kan vervolging
enkel worden ingesteld indien de Tweede Kamer of de regering een daartoe strekkende opdracht
heeft gegeven.
In het navolgende zullen de verschillende artikelen uit de opnieuw vastgestelde eerste titel
afzonderlijk worden toegelicht.
Artikel 483
Eerste lid
Het voorgestelde eerste lid bepaalt dat deze titel van toepassing is op de opsporing, vervolging en
berechting van ambtsmisdrijven die zijn begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers of
staatssecretarissen. Het toepassingsbereik van deze titel is daarmee beperkt tot een afgebakende

categorie personen (Kamerleden en bewindspersonen) en een afgebakende categorie strafbare

feiten (ambtsmisdrijven als bedoeld in het eerste lid). Hieruit volgt dat indien Kamerleden en

bewindspersonen verdacht worden van andere strafbare feiten, de bijzondere bepalingen uit deze

titel niet van toepassing zijn en de opsporing, vervolging en berechting plaatsvinden

overeenkomstig de normale procedurele voorschriften van het Wetboek van Strafvordering.

Uit deze afbakening volgt tevens dat opsporing, vervolging en berechting ten aanzien van

eventuele medeverdachten, niet zijnde Kamerleden of bewindspersonen, eveneens niet

overeenkomstig de voorgestelde bijzondere bepalingen, maar overeenkomstig de normale

procedurele voorschriften in het Wetboek van Strafvordering plaatsvinden. In de praktijk kan zich

de situatie voordoen dat gedurende het opsporingsonderzoek waarbij een Kamerlid of een

bewindspersoon als verdachte van een ambtsmisdrijf is aangemerkt er medeverdachten in beeld

komen op wie de bijzondere procedure van deze titel niet van toepassing is (zie ook de

artikelsgewijze toelichting bij artikel 485c, zesde lid). Deze medeverdachten staan vervolgens in

eerste aanleg overeenkomstig de normale procedure van het Wetboek van Strafvordering terecht

bij de rechtbank.

Andersom kan zich de situatie voordoen dat in een lopend regulier opsporingsonderzoek een

verdenking rijst jegens een Kamerlid of een bewindspersoon met betrekking tot een gepleegd

ambtsmisdrijf. In voorkomend geval dient de verantwoordelijke officier van justitie op grond van het

nieuw voorgestelde artikel 162, derde lid, Sv, aangifte van dit ambtsdelict te doen bij de procureurgeneraal

bij de Hoge Raad. De procureur-generaal is vervolgens overeenkomstig de bepalingen

van deze titel verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek dat eventueel wordt ingesteld naar

aanleiding van de jegens deze verdachte gerezen verdenking.

Tweede lid

Uitgangspunt voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven gepleegd door

Kamerleden en bewindspersonen is dat, afgezien van de bijzondere regels over het forum waar de

berechting plaatsvindt en de wijze waarop een vervolgingsbeslissing wordt genomen, zoveel

mogelijk de regels van het reguliere strafprocesrecht van toepassing zijn. Dit uitgangspunt wordt in

het tweede lid tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de opsporing, vervolging en berechting

plaatsvinden overeenkomstig de regels die gelden ten aanzien van de opsporing van strafbare

feiten waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennisneemt, tenzij in deze titel anders is bepaald.

Artikel 484

Eerste lid

In het huidige artikel 4, eerste lid, Wmv is bepaald dat leden van de Staten-Generaal, ministers en

staatssecretarissen wegens ambtsdelicten – ook na hun aftreden – terechtstaan voor de Hoge

Raad. Gelet op de intrekking van de Wmv wordt voorgesteld deze bepaling over te hevelen naar

het Wetboek van Strafvordering. De kring van personen voor wie dit forum privilegiatum geldt, is

ongewijzigd ten opzichte van de huidige Wmv.

Tweede en derde lid

Het voorgestelde tweede en derde lid bevatten enkele technische voorzieningen met het oog op

de berechting in eerste en enige aanleg door de Hoge Raad. Zo wordt in het tweede lid

voorgesteld dat de Hoge Raad ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal een

raadsheer-commissaris kan benoemen die in de bijzondere procedure de positie inneemt die in

129

het reguliere strafproces bij de rechtbank aan de rechter-commissaris is toegekend.

Omdat de berechting op grond van deze titel niet door de rechtbank, maar door de Hoge Raad

plaatsvindt, is in het voorgestelde derde lid opgenomen dat alle bepalingen in het Wetboek van

Strafvordering die betrekking hebben op de rechtbank, de rechter-commissaris en de griffier voor

de toepassing van deze titel worden geacht betrekking te hebben op respectievelijk de Hoge

Raad, de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad en de griffier van de Hoge Raad. De

berechting van ambtsmisdrijven door de Hoge Raad vindt daardoor zoveel mogelijk plaats op

dezelfde wijze als de reguliere berechting van misdrijven in eerste aanleg door de rechtbank.

Vierde en vijfde lid

Het komt vanuit proceseconomisch oogpunt wenselijk voor erin te voorzien dat alle wettelijke

bevoegdheden van de rechter-commissaris bij de rechtbank die op grond van het derde lid door de

raadsheer-commissaris kunnen worden uitgeoefend in opdracht van de raadsheer-commissaris bij

de Hoge Raad of op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook kunnen worden

uitgeoefend door de reguliere rechter-commissaris bij de rechtbank. De inzet van de rechtercommissaris

zal in de praktijk verschillend kunnen uitpakken, afhankelijk van de aard van het

opsporingsonderzoek dat wordt verricht. In algemene zin is daarbij de verwachting dat naarmate

het opsporingsonderzoek omvangrijker is, vaker een rechter-commissaris bij de (verschillende)

rechtbank(en) zal worden ingeschakeld. Hierbij kan worden gedacht aan opsporingsonderzoek

naar meerdere verdachten of opsporingsonderzoek naar meerdere strafbare feiten. Ook in geval

de feiten over een langere periode zijn gepleegd (bijvoorbeeld een gehele kabinetsperiode) of

wanneer opsporingsonderzoek in het buitenland dient plaats te vinden, ligt het in de rede dat een

beroep wordt gedaan op de rechter-commissaris voor het (doen) verrichten van

onderzoekshandelingen. In dergelijke omvangrijke opsporingsonderzoeken ligt het eveneens voor

de hand dat de procureur-generaal de uitvoering van onderzoekshandelingen vaker zal opdragen

aan de onder zijn verantwoordelijkheid opererende officieren van justitie uit het onderzoeksteam.

Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid kunnen vorderingen gericht aan de rechtercommissaris

bij de rechtbank zowel door de procureur-generaal zelf als door een onder zijn

verantwoordelijkheid opererende officier van justitie worden ingediend.

Artikel 485

Eerste en tweede lid

In afwijking van de normale procedure op grond van het Wetboek van Strafvordering is niet de

officier van justitie maar de procureur-generaal bij de Hoge Raad verantwoordelijk voor de

opsporing en vervolging in geval van een verdenking van ambtsmisdrijven gepleegd door

Kamerleden en bewindspersonen. Met het oog hierop is in het voorgestelde tweede lid van artikel

485 bepaald dat al hetgeen in het eerste tot en met het vijfde boek van Wetboek van

Strafvordering is bepaald ten aanzien van de officier van justitie, mede geldt ten aanzien van de

procureur-generaal bij de Hoge Raad, behoudens enkele hierna te bespreken uitzonderingen.

Hierdoor kan de procureur-generaal ten behoeve van de opsporing onder meer de strafvorderlijke

bevoegdheden aanwenden die elders in het Wetboek van Strafvordering aan de officier van justitie

zijn toegekend. Gedurende het opsporingsonderzoek kan de procureur-generaal zich laten

bijstaan door een onderzoeksteam dat bestaat uit officieren van justitie, hulpofficieren van justitie

en opsporingsambtenaren. Dit onderzoeksteam wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze

toelichting bij het voorgestelde artikel 485b Sv.

130

In het voorgestelde tweede lid is een aantal bepalingen uitgezonderd van de medegelding ten

aanzien van de procureur-generaal. Het gaat daarbij om specifieke bepalingen die naar hun aard

ongeschikt zijn om mede betrekking te hebben op de procureur-generaal (artikelen 9, 10 en 148

tot en met 149 Sv).

Derde lid

In reguliere strafzaken is het op grond van het opportuniteitsbeginsel aan het openbaar ministerie

om naar aanleiding van een opsporingsonderzoek te beslissen of strafrechtelijke vervolging

aangewezen is (artikel 167 Sv). Is dit het geval, dan beslist het openbaar ministerie ter zake van

welke feiten wordt vervolgd en op welke wijze vervolging plaatsvindt. In de bijzondere procedure

voor de vervolging van ambtsmisdrijven gepleegd door Kamerleden en bewindspersonen is op

grond van artikel 119 Gw de bevoegdheid tot het nemen van de vervolgingsbeslissing niet

toegekend aan het openbaar ministerie, maar aan de Tweede Kamer en de regering. Daarom is in

het voorgestelde derde lid bepaald dat de procureur-generaal uitsluitend vervolging kan instellen

op grond van een daartoe strekkende opdracht van de Tweede Kamer of de regering. Voor een

nadere toelichting op de inhoud en de totstandkoming van deze vervolgingsopdracht wordt

verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikelen 485d, derde lid en 485e.

Artikel 485a en artikel III, onderdeel B

In de voorgestelde procedure zijn er drie manieren waarop een opsporingsonderzoek ten aanzien

van ambtsmisdrijven gepleegd door Kamerleden of bewindspersonen, kan aanvangen. Allereerst

wordt voorgesteld dat de procureur-generaal ambtshalve een opsporingsonderzoek moet kunnen

instellen wanneer hij kennis krijgt van een dergelijk ambtsmisdrijf. Daarnaast kan het

opsporingsonderzoek worden ingesteld indien de procureur-generaal een daartoe strekkende

opdracht ontvangt van de regering of van de Tweede Kamer.

Eerste lid

Om ambtshalve een opsporingsonderzoek te kunnen instellen, is van belang dat aangiften van

ambtsmisdrijven tegen Kamerleden en bewindspersonen ter kennis van de procureur-generaal

worden gebracht. Met het oog hierop wordt voorgesteld artikel 162 Sv te wijzigen. Thans regelt dit

artikel – kort samengevat – dat openbare colleges en ambtenaren die kennis krijgen van een

ambtsmisdrijf verplicht zijn daarvan aangifte te doen bij een (hulp)officier van justitie. Ook zijn zij

verplicht ‘tot de zaak betrekkelijke stukken’ aan laatstgenoemde af te geven (volledigheidshalve

wordt opgemerkt dat het hier stukken in zowel fysieke als digitale vorm betreft). Gelet op het

voorgaande wordt voorgesteld in het eerste tot en met derde lid van dit artikel te bepalen dat de

hierboven omschreven verplichte aangifte moet worden gedaan bij de procureur-generaal bij de

Hoge Raad indien het misdrijf een van de ambtsmisdrijven betreft waarop de bijzondere procedure

voor Kamerleden en bewindspersonen van toepassing is. De voorgestelde leden vijf tot en met

negen zijn, afgezien van de noodzakelijke aanpassing van verwijzingen, tekstueel ongewijzigd ten

opzichte van de huidige leden drie tot en met zeven.

De voorgestelde aanpassing van artikel 162 Sv ondervangt eveneens de situatie dat aangiften

tegen Kamerleden of bewindslieden wegens ambtsmisdrijven abusievelijk worden gedaan bij het

openbaar ministerie of bij de politie, bijvoorbeeld omdat de aangever zich niet bewust was van het

feit dat de aangifte diende te worden gedaan bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. In

voorkomend geval is het openbaar ministerie of de politie verplicht om deze aangifte (inclusief

stukken) door te zenden naar de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Er is in dat geval sprake

van een situatie als bedoeld in artikel 162, eerste lid, Sv: openbare colleges en ambtenaren die in

131

de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet

zijn belast. Ingevolge het nieuw voorgestelde derde lid bestaat dan de verplichting om de aangifte,

en de daarmee samenhangende stukken, door te zenden aan de procureur-generaal bij de Hoge

Raad.

Na ontvangst van de aangifte onderzoekt de procureur-generaal of hij aanleiding ziet om

ambtshalve een opsporingsonderzoek in te stellen. Op vergelijkbare wijze als geregeld in het

bestaande protocol voor de behandeling van dergelijke aangiften (Stcrt 2018, 3803) gaat de

procureur-generaal na of inderdaad sprake is van een aangifte, dat wil zeggen een melding van

concrete feiten en omstandigheden die de verdenking van een bepaald strafbaar feit opleveren,

dan wel sprake is van uitingen van onvrede ten aanzien van de betrokken parlementariër of

bewindspersoon. Indien inderdaad sprake is van een aangifte, beoordeelt de procureur-generaal

of deze betrekking heeft op een ambtsdelict ter zake waarvan hij met de opsporing is belast. Is dit

niet het geval, dan zal de procureur-generaal de aangifte doorsturen naar de bevoegde officier van

justitie. Is dit wel het geval, dan beoordeelt de procureur-generaal of er genoeg

aanknopingspunten bestaan om een opsporingsonderzoek in te stellen.

Tweede lid

Zoals eerder aangegeven is de procureur-generaal verplicht een opsporingsonderzoek in te stellen

wanneer hij een daartoe strekkende opdracht heeft ontvangen van de regering of de Tweede

Kamer. Omdat deze organen op grond van artikel 119 Gw de bevoegdheid hebben om een

opdracht tot vervolging van Kamerleden en bewindspersonen te geven, ligt het in de rede dat deze

organen ieder zelfstandig de procureur-generaal kunnen opdragen om een opsporingsonderzoek

in te stellen.

De opdracht tot het instellen van het opsporingsonderzoek dient in ieder geval een zo nauwkeurig

mogelijke omschrijving te bevatten van de feiten waarop het opsporingsonderzoek betrekking dient

te hebben. Het doel hiervan is dat de procureur-generaal zo gericht mogelijk de feiten kan

onderzoeken ten aanzien waarvan een vervolgingsopdracht in overweging zou kunnen worden

genomen. Ook kan de opdrachtgever ervoor kiezen om in de opdracht concrete verdachten te

noemen. Dit laatste is echter niet verplicht. Aldus kan ook een onderzoeksopdracht aan de

procureur-generaal worden gegeven wanneer er nog geen concrete verdachte in beeld is.4

Tezamen met de opdracht tot instelling van het opsporingsonderzoek kunnen ook eventuele

relevante stukken door de regering of de Tweede Kamer aan de procureur-generaal worden

toegezonden.

Ook wanneer door de regering of de Tweede Kamer een onderzoeksopdracht is gegeven, wordt

het opsporingsonderzoek door de procureur-generaal onafhankelijk verricht. Hieruit volgt onder

meer dat procureur-generaal gedurende de feitelijke uitvoering van het opsporingsonderzoek de

reikwijdte van het opsporingsonderzoek kan uitbreiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien

gedurende het onderzoek verdenkingen jegens niet eerder bekende verdachten rijzen of indien

verdenkingen ten aanzien van meer feiten rijzen dan enkel de feiten die in de onderzoeksopdracht

werden genoemd.

Derde lid

De procureur-generaal dient op grond van het voorgestelde derde lid de regering (in de persoon

van de minister van Justitie en Veiligheid) en de Tweede Kamer onmiddellijk te berichten over de

instelling van een opsporingsonderzoek. Deze informatieverplichting geldt zowel indien de
procureur-generaal ambtshalve een opsporingsonderzoek start alsook wanneer hij dit doet op
grond van een opdracht van de regering of de Tweede Kamer. In het belang van het onderzoek
kan de procureur-generaal bij zijn mededeling concrete gegevens over de aard van de verdenking
of de personalia van de verdachte achterwege laten. Als de regering of de Tweede Kamer met het
oog op een eventuele opdracht het onderzoek te beëindigen deze informatie toch wenst, zal de
procureur-generaal deze gegevens alsnog verstrekken.
Artikel 485b
Eerste tot en met vierde lid
Uit het voorgestelde artikel 485b, eerste lid, volgt dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad
verantwoordelijk is voor de opsporing van ambtsmisdrijven gepleegd door Kamerleden en
bewindspersonen. Als verantwoordelijke heeft hij tevens de leiding over het opsporingsonderzoek.
Zoals reeds in de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde tweede lid van artikel 485a Sv is
opgemerkt, volgt hieruit tevens dat de procureur-generaal de reikwijdte van een aan hem
opgedragen opsporingsonderzoek kan verbreden indien hij daartoe aanleiding ziet.
Bij de feitelijke uitvoering van het opsporingsonderzoek kan de procureur-generaal, naar analogie
van het nader onderzoek naar een mogelijke grond voor herziening als bedoeld in artikel 463 Sv,
zich laten bijstaan door een onderzoeksteam. Van dit onderzoeksteam kunnen ambtenaren van de
politie en ambtenaren van het openbaar ministerie (onder wie officieren van justitie) deel uitmaken.
De mogelijkheid om bijstand van het onderzoeksteam aan te wenden, verzekert de procureurgeneraal
ervan dat in alle zaken het noodzakelijke opsporingsonderzoek kan worden verricht.
De redactie van het derde en vierde lid is gebaseerd op het vergelijkbare derde en vierde lid van
artikel 463 Sv. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan het College van procureurs-generaal
verzoeken om bijstand bij de instelling van het onderzoeksteam. De leden van het
onderzoeksteam worden door de procureur-generaal benoemd. Omdat de werkzaamheden van
het onderzoeksteam onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal
plaatsvinden, kan laatstgenoemde daartoe de nodige bevelen geven aan leden van het
onderzoeksteam.
Vijfde lid
In het voorgestelde vijfde lid is bepaald dat opsporingsambtenaren, hulpofficieren en officieren van
justitie de bevoegdheden die op grond van het reguliere strafprocesrecht aan hen toekomen,
uitsluitend uitoefenen voor zover zij deel uitmaken van het onderzoeksteam. Dit derde lid bakent
tezamen met het voorgestelde artikel 485a, tweede lid, Sv, af welke personen bevoegd zijn om
(opsporings)bevoegdheden uit te oefenen in opsporingsonderzoeken naar ambtsmisdrijven,
gepleegd door Kamerleden of bewindspersonen.
In tegenstelling tot reguliere opsporingsonderzoeken staan opsporingsonderzoeken op grond van
deze titel onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal. Met het oog hierop is
op grond van het voorgestelde artikel 485, tweede lid, Sv, de positie van de procureur-generaal
gelijk aan de positie die de officier van justitie inneemt in reguliere opsporingsonderzoeken.
Gelet op de regie en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal en gelet op de gevoeligheid
van de onder zijn leiding staande opsporingsonderzoeken wordt voorgesteld dat niet alle
opsporingsambtenaren en (hulp)officieren van justitie in voorkomende gevallen
133
opsporingsbevoegdheden kunnen uitoefenen, maar enkel die personen die deel uitmaken van het
door de procureur-generaal in te stellen onderzoeksteam.
Zesde lid
In de praktijk kan het voorkomen dat de procureur-generaal gedurende het opsporingsonderzoek
naar ambtsmisdrijven stuit op ambtsmisdrijven die zijn gepleegd door derden, niet zijnde
Kamerleden of bewindspersonen of op andere strafbare feiten dan ambtsmisdrijven. Dit roept de
vraag op hoe de procureur-generaal in een dergelijke situatie moet handelen, nu laatstgenoemde
enkel belast is met de opsporing van ambtsmisdrijven gepleegd door Kamerleden en
bewindspersonen. In voorkomende gevallen dient de procureur-generaal overleg te voeren met de
bevoegde officier van justitie. Daarbij kan worden besloten het opsporingsonderzoek te splitsen en
het onderzoek ten aanzien van deze andere personen en/of feiten geheel of gedeeltelijk over te
dragen aan de bevoegde officier van justitie. Ook kunnen afspraken worden gemaakt over de
uitwisseling van informatie, bijvoorbeeld indien de resultaten van bepaalde
onderzoekshandelingen zowel relevant zijn voor het door de procureur-generaal uitgevoerde
opsporingsonderzoek, als voor het reguliere opsporingsonderzoek dat door de officier van justitie
wordt uitgevoerd.
Zevende lid
Op vergelijkbare wijze als ingeval van het zesde lid kan het eveneens voorkomen dat de
procureur-generaal gedurende het opsporingsonderzoek stuit op mogelijke andere
ambtsmisdrijven die door het Kamerlid of de bewindspersoon in kwestie zijn gepleegd. Ook kan
het voorkomen dat – naast het Kamerlid of de bewindspersoon wiens gedragingen aanleiding
vormden voor het opsporingsonderzoek – er verdenkingen tegen andere Kamerleden of
bewindspersonen rijzen. In voorkomende gevallen dient de procureur-generaal de Tweede Kamer
en de regering hierover te informeren met het oog op de bevoegdheid van de Tweede Kamer en
de regering om overeenkomstig artikel 485c te interveniëren. Deze informatieplicht laat onverlet
dat de procureur-generaal op grond van zijn ambtshalve opsporingsbevoegdheid (artikel 485a,
eerste lid, Sv) zelfstandig kan besluiten om de reikwijdte van het onderzoek uit te breiden naar
deze nieuwe feiten/personen. Indien de procureur-generaal voornemens is het
opsporingsonderzoek naar deze nieuwe feiten en/of personen uit te breiden, dient hij daarvan
melding te maken in een bericht aan de Tweede Kamer en de regering. Ook hier kan de procureurgeneraal,
zoals opgemerkt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 485a, derde lid, Sv, in het
belang van het onderzoek bepaalde gegevens over de aard van de verdenking of de persoon van
de nieuwe verdachte niet vermelden, met eveneens de bevoegdheid van de regering en de
Tweede Kamer die gegevens alsnog te vragen.
Achtste lid
De artikelen 127 en 128 van de Wet op de rechterlijke organisatie geven de minister van Justitie
en Veiligheid de bevoegdheid om algemene en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de
taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. De achtergrond van deze bevoegdheid is
gelegen in de ministeriële verantwoordelijkheid die de minister van Justitie en Veiligheid draagt
voor het openbaar ministerie. Bij de opsporing en vervolging van ambtsmisdrijven gepleegd door
Kamerleden en bewindspersonen hebben alleen de regering en de Tweede Kamer de
bevoegdheid opdrachten te geven over de opsporing en de vervolging en dat brengt mee dat
bevoegdheid van de minister van Justitie en Veiligheid aanwijzingen te geven vervalt.
134
Artikel 485c
Eerste lid
De procureur-generaal kan ambtshalve een opsporingsonderzoek instellen, maar kan op grond
van artikel 119 Gw niet ambtshalve tot vervolging overgaan. Daarom ligt het in de rede aan de
regering en de Tweede Kamer de bevoegdheid toe te kennen om in gezamenlijkheid de procureurgeneraal
op te dragen het opsporingsonderzoek te beëindigen, bijvoorbeeld indien zij wegens
bijzondere omstandigheden gezamenlijk van mening zijn dat de strafrechtelijke vervolging van de
betrokken parlementariër of bewindspersoon niet haalbaar of niet opportuun is. Het ligt in de rede
dat de regering en de Tweede Kamer terughoudendheid betrachten bij het aanwenden van deze
bevoegdheid, nu uit het lopende opsporingsonderzoek feiten en omstandigheden kunnen blijken
die aanleiding kunnen vormen om toch een beslissing tot het opdragen van vervolging te
overwegen.
Tweede tot en met vierde lid
Op grond van het eerste lid is de procureur-generaal verplicht een lopend opsporingsonderzoek te
beëindigen naar aanleiding van een daartoe strekkende opdracht die door de Tweede Kamer en
de regering gezamenlijk wordt gegeven. Indien de procureur-generaal enkel van de Tweede
Kamer of enkel van de regering een dergelijke opdracht ontvangt, dient de procureur-generaal
binnen twee weken na kennisneming van de opdracht het gevoelen van respectievelijk de regering
of de Tweede Kamer hierover in te winnen. Deze dienen vervolgens op grond van het derde lid
binnen een maand aan de Hoge Raad kenbaar te maken of zij eveneens wensen dat het
opsporingsonderzoek wordt beëindigd. Is dat het geval, dan dient de procureur-generaal het
opsporingsonderzoek onmiddellijk te beëindigen. Indien de regering of de Tweede Kamer wenst
dat het opsporingsonderzoek wordt voortgezet, zal de procureur-generaal het
opsporingsonderzoek niet voortijdig beëindigen. Een lopend opsporingsonderzoek kan dan ook
enkel door een gezamenlijke opdracht van de regering en de Tweede Kamer voortijdig worden
beëindigd. In het vierde lid is voorzien in de situatie dat de regering of de Tweede Kamer niet tijdig
haar gevoelen over de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek kenbaar maakt. In
voorkomend geval vervolgt de procureur-generaal het opsporingsonderzoek, nu enkel tot
beëindiging van het opsporingsverzoek wordt overgegaan indien zowel de regering als de Tweede
Kamer daartoe opdracht geven (artikel 485c, eerste lid, Sv).
Vijfde lid
Met het oog op de transparantie wordt voorgesteld iedere opdracht tot beëindiging van het
opsporingsonderzoek alsook ieder bericht waarin de wens wordt geuit het opsporingsonderzoek
voort te zetten, onmiddellijk te publiceren in de Staatscourant. Op deze manier is het voor eenieder
kenbaar wanneer de Tweede Kamer en/of de regering interveniëren in een lopend
opsporingsonderzoek.
Artikel 485d
Eerste lid
In het voorgestelde eerste lid worden enkele termijnen voor de duur van het opsporingsonderzoek
geregeld. Deze termijnen hebben als doel Kamerleden en bewindspersonen niet langer dan
noodzakelijk het middelpunt te laten zijn van de politieke opschudding die een onderzoek wegens
de verdenking van gepleegde ambtsmisdrijven teweeg kan brengen.
135
Als peildatum voor de aanvang van deze termijnen geldt de dag waarop de procureur-generaal
overeenkomstig het voorgestelde artikel 485a, derde lid, de regering en Tweede Kamer informeert
over de start van het opsporingsonderzoek. In beginsel dient de procureur-generaal een ingesteld
opsporingsonderzoek binnen drie maanden af te ronden, met een eenmalige
verlengingsmogelijkheid van drie maanden. Is het onderzoek na verlenging nog niet voltooid, dan
kan de Hoge Raad deze termijn op vordering van de procureur-generaal telkens met ten hoogste
drie maanden verlengen indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert. Of hiervan
sprake is, zal mede afhangen van de aard van het opsporingsonderzoek dat wordt uitgevoerd.
Daarbij dient onder meer te worden gekeken naar de reikwijdte van het opsporingsonderzoek.
Naarmate dit onderzoek groter en complexer is, zal het belang van het onderzoek eerder de
verlenging van termijnen dringend vorderen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
omvangrijk corruptieonderzoek waarbij opsporingshandelingen in verschillende landen moeten
worden verricht. In een dergelijk geval zal het onderzoek veelal niet binnen de wettelijk
voorgeschreven termijnen kunnen worden verricht en zal verlenging geboden zijn.
Tweede lid
Het sluitstuk van de opsporingsfase wordt gevormd door het moment waarop de procureurgeneraal
de regering en de Tweede Kamer bericht over de afronding van het
opsporingsonderzoek. Dit moment is een kantelpunt in de procedure, waarin het zwaartepunt
verschuift van het opsporingsonderzoek door de procureur-generaal, naar de mogelijke
vervolgingsbeslissing door de regering en/of de Tweede Kamer. Met het oog op een eventueel te
geven vervolgingsopdracht doet de procureur-generaal niet enkel mededeling van de afronding
van het opsporingsonderzoek, maar stuurt hij aan de regering en de Tweede Kamer een verslag
waarin de bevindingen van het opsporingsonderzoek worden samengevat. Daarbij worden de
regering en de Tweede Kamer in de gelegenheid gesteld om desgewenst kennis te nemen van de
processtukken.
Indien dit op grond van het verrichte opsporingsonderzoek mogelijk is, doet de procureur-generaal
in het verslag van het opsporingsonderzoek tevens opgave van alle feiten ter zake waarvan naar
zijn oordeel vervolging kan plaatsvinden. De opgave van feiten betreft enkel een inschatting van
de (juridische) haalbaarheid van de vervolging. De procureur-generaal laat zich hierbij niet uit over
de wenselijkheid van de mogelijk in te stellen vervolging: die afweging is aan de regering en aan
de Tweede Kamer. Deze opgave van feiten kan behulpzaam zijn voor de regering en de Tweede
Kamer bij het formuleren van een eventuele opdracht tot vervolging.
Daarnaast wordt voorgesteld om tegelijk met de regering en de Tweede Kamer ook de
verdachte(n) in kwestie in kennis te stellen van de afronding van het opsporingsonderzoek. Ook
het onderzoeksverslag en de opgave van feiten worden aan de verdachte verstrekt. Daarnaast zijn
de reguliere voorschriften met betrekking tot de kennisneming van processtukken door de
verdachte onverkort van toepassing. Dit betekent dat de verdachte op grond van artikel 30 Sv
kennis kan nemen van de processtukken.
Derde lid
Nadat de procureur-generaal de regering en de Tweede Kamer overeenkomstig het tweede lid
heeft bericht over de sluiting van het opsporingsonderzoek, beslissen de regering en de Tweede
Kamer ieder afzonderlijk over het al dan niet geven van een opdracht tot vervolging aan de
procureur-generaal bij de Hoge Raad. Teneinde te voorkomen dat gedurende een te lange tijd
onzekerheid bestaat over een mogelijke vervolgingsbeslissing, wordt voorgesteld dat de regering
en de Tweede Kamer binnen drie maanden na ontvangst van het bericht over de sluiting van het
136
opsporingsonderzoek een beslissing nemen over het al dan niet geven van een opdracht tot
vervolging of het geven van een opdracht tot het verrichten van nader onderzoek (zie de
artikelsgewijze toelichting bij het vierde lid). Ook indien de Tweede Kamer en/of de regering
besluiten geen opdracht tot vervolging te geven, dienen zij de procureur-generaal over hun
beslissing te informeren.
Uit artikel 119 Gw volgt dat een opdracht tot vervolging van een Kamerlid of bewindspersoon
wegens ambtsmisdrijven enkel bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer kan
worden gegeven. De ambtshalve bevoegdheid van de procureur-generaal is in de bijzondere
procedure beperkt tot de instelling van een opsporingsonderzoek, de procureur-generaal kan niet
zelfstandig tot vervolging overgaan. Na de sluiting van het opsporingsonderzoek is het dan ook
aan de regering en de Tweede Kamer om te bezien of vervolging opportuun is.
De huidige Wmv bevat verschillende gedetailleerde procedurele voorschriften over de wijze
waarop een dergelijke vervolgingsopdracht tot stand komt, zowel ingeval de vervolgingsopdracht
wordt gegeven door de regering (de artikelen 5 en 6 Wmv) als ingeval de opdracht wordt gegeven
door de Tweede Kamer (artikelen 7 tot en met 19 Wmv). Het merendeel van deze bepalingen
betreft de wijze van onderzoek door de Tweede Kamer. Deze bepalingen worden vervangen door
de regeling van het opsporingsonderzoek en de beëindiging daarvan in de voorgestelde artikelen
483 tot en met 485f Sv. De in de artikelen 5 en 18 Wmv neergelegde regeling van de opdracht tot
vervolging door de procureur-generaal bij de Hoge Raad keert terug in het voorgestelde derde lid
van artikel 485d Sv en artikel 485e Sv. Voorgesteld wordt de in artikel 18 eerste lid Wmv
voorgeschreven toetsing van de aangeklaagde feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid
en het staatsbelang niet langer in de wet op te nemen. Aan de regeling dat een bevel tot
vervolging uitsluitend door de regering of de Tweede Kamer kan worden gegeven ligt ten
grondslag dat daarvan om opportuniteitsredenen kan worden afgezien en de in artikel 18, eerste
lid, Wmv geeft daar op een niet in alle opzichten eigentijdse wijze uitwerking aan. Dit betekent dat
het aan de regering en de Tweede Kamer zelf is om – indien zij dit wenselijk achten – procedurele
voorschriften vast te stellen over de wijze waarop een vervolgingsopdracht tot stand komt. Voor de
Tweede Kamer ligt het in de rede dat dergelijke voorschriften worden opgenomen in het eigen
Reglement van Orde, de regering kan in het Reglement van orde van de ministerraad nadere
voorschriften opnemen. In dit kader is van belang dat artikel 119 Gw wel vereist dat de
vervolgingsopdracht van de regering bij koninklijk besluit wordt genomen. Het ligt in de rede dat
dergelijke koninklijke besluiten door de ministerraad moeten worden aanvaard alvorens zij worden
genomen.
Vierde lid
Indien de regering of de Tweede Kamer – na door de procureur-generaal te zijn bericht over de
sluiting van het opsporingsonderzoek – van mening is dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is,
kunnen zij een opdracht daartoe geven aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Gelet op het
belang om op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te krijgen over een mogelijke
vervolgingsopdracht, moet de opdracht tot nader onderzoek uiterlijk worden gegeven binnen drie
maanden na het bericht over de sluiting van het onderzoek (zie het derde lid). De opdracht tot het
verrichten van nader onderzoek bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het
onderwerp van het nader onderzoek en de wijze waarop dit moet worden ingesteld.
Voorgesteld wordt het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing te verklaren
op het nader onderzoek. Hierdoor zijn op het nader onderzoek dezelfde termijnen van toepassing
als ten aanzien van het oorspronkelijke opsporingsonderzoek door de procureur-generaal. Ook
wordt voorgesteld de artikelen 485b en 485c van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hieruit
volgt onder meer dat de Tweede Kamer en de regering gezamenlijk kunnen besluiten tot
137
voortijdige beëindiging van het nader onderzoek, zoals dat ook bij het initiële opsporingsonderzoek
het geval is.
Na de sluiting van het nader onderzoek bericht de procureur-generaal de regering, de Tweede
Kamer en de verdachte op dezelfde wijze als na de sluiting van het oorspronkelijke
opsporingsonderzoek, waarna de Tweede Kamer en de regering binnen drie maanden dienen te
beslissen over het al dan niet geven van een opdracht tot vervolging, dan wel het (nogmaals)
geven van een opdracht tot het verrichten van nader onderzoek.
Vijfde lid
Het voorgestelde vijfde lid bepaalt dat indien de Tweede Kamer en de regering na de sluiting van
het opsporingsonderzoek niet tijdig een vervolgbeslissing hebben genomen (artikel 485d, derde
lid), er ter zake van dezelfde feiten niet opnieuw een opsporingsonderzoek kan worden ingesteld.
Dit geldt zowel voor de bevoegdheid van de procureur-generaal ambtshalve een
opsporingsonderzoek in te stellen, als voor de bevoegdheid van de regering en de Tweede Kamer
om een opdracht tot het instellen van een dergelijk onderzoek te geven. Deze bepaling biedt de
verdachte een met artikel 255, eerste lid, Sv vergelijkbare bescherming tegen het opnieuw starten
van een opsporingsonderzoek nadat het ingestelde onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid.
Voor de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ wordt aangesloten bij de betekenis die in het kader
van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip wordt toegekend.
Het verbod op het instellen van een nieuw opsporingsonderzoek geldt niet indien sprake is van
nieuwe bezwaren. Voor de definitie van ‘nieuwe bezwaren’ wordt aangesloten bij de uitleg die in
het kader van artikel 255 Sv aan dit begrip wordt gegeven. In voorkomende gevallen is voor de
instelling van een nieuw opsporingsonderzoek overeenkomstig artikel 255, vierde lid, Sv een
machtiging van de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad vereist.
Artikel 485e
Eerste lid
De opdracht tot vervolging dient een omschrijving te bevatten van de gedraging(en) ter zake
waarvan volgens de regering of de Tweede Kamer vervolging dient plaats te vinden. Ingeval de
opdracht tot vervolging niet specifiek benoemt voor welke strafbare feiten dient te worden
gedagvaard, kan de procureur-generaal de omschreven gedragingen vertalen naar concrete
strafbare feiten. Desgewenst kan de procureur-generaal de opdrachtgever daarbij vragen om een
nadere toelichting op de gegeven omschrijving van de te vervolgen gedraging(en).
Tweede en derde lid
In afwijking van reguliere strafzaken vindt de vervolging van Kamerleden en bewindspersonen
wegens ambtsmisdrijven uitsluitend plaats door dagvaarding van de verdachte door de procureurgeneraal.
Ten aanzien van deze verdachten kunnen aldus geen andere vervolgingsmodaliteiten
zoals de strafbeschikking worden toegepast.
De dagvaarding wordt door de procureur-generaal opgesteld. Deze is bij het opstellen van de
tenlastelegging gebonden aan de opdracht tot vervolging die door de regering of de Tweede
Kamer is gegeven. Uit de gebondenheid van de procureur-generaal aan de opdracht tot vervolging
vloeit voort dat indien de tenlastelegging ziet op andere feiten dan die worden genoemd in de
vervolgingsopdracht, de procureur-generaal bij de Hoge Raad niet-ontvankelijk wordt verklaard in
de vervolging. De gebondenheid aan de dagvaarding laat onverlet dat de procureur-generaal,
138
nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, binnen de grenzen van artikel 313 Sv een
vordering tot wijziging van de tenlastelegging kan indienen.
Artikel 485f
De berechting van ambtsmisdrijven begaan door Kamerleden en bewindspersonen vindt in eerste
en enige aanleg plaats door de Hoge Raad. Tegen uitspraken van de Hoge Raad in deze
bijzondere procedure kunnen geen hoger beroep en cassatie worden ingesteld. Wel kan hoger
beroep worden ingesteld tegen beschikkingen van de rechter-commissaris of de raadsheercommissaris
bij de Hoge Raad (vgl. het voorgestelde artikel 484, tweede tot en met vijfde lid). Het
voorgestelde artikel 485f bepaalt dat in voorkomende gevallen dit hoger beroep wordt behandeld
door de raadkamer van de Hoge Raad.
Artikel 485g
Dit artikel regelt de wijze van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die door de Hoge
Raad zijn opgelegd in de bijzondere procedure voor de vervolging van ambtsmisdrijven. Ook hier
geldt dat wordt aangesloten bij de voorschriften over de tenuitvoerlegging van straffen en
maatregelen die in reguliere strafzaken zijn opgelegd. Op vergelijkbare wijze als in de
voorgestelde artikelen 484, derde lid, 485, tweede lid en 485f, derde lid, Sv, treedt voor de
toepassing van het Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering de procureur-generaal in de plaats
van het openbaar ministerie en de officier van justitie en de raadsheer-commissaris bij de Hoge
Raad in de plaats van de rechter-commissaris bij de rechtbank.
Artikel 485h
Gelet op het bijzondere karakter van de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven,
gepleegd door Kamerleden en bewindspersonen, wordt in dit artikel voorgesteld de toepassing
van enkele bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering in deze bijzondere procedure uit te
sluiten. Het gaat daarbij om bepalingen die naar hun aard ongeschikt zijn om in de bijzondere
procedure voor de vervolging van politieke ambtsdragers onverkort te gelden.
In de artikelsgewijze toelichting bij artikel III, onderdeel A, is nader ingegaan op de werking van de
beklagprocedure ingeval van het niet-vervolgen van Kamerleden of bewindspersonen. In dit licht
wordt voorgesteld de toepasselijkheid van de artikelen 12 tot en met 13 Sv expliciet uit te sluiten.
Daarnaast wordt voorgesteld de toepasselijkheid van enkele bepalingen uit te sluiten die naar hun
aard niet in de bijzondere procedure kunnen worden toegepast. Het gaat daarbij om bepalingen
over vervolgingsbeslissingen van de officier van justitie (de artikelen 70, 167, 242 tot en met 247,
255, eerste lid, 262a, 266 en 267 Sv), het hoger beroep en cassatieberoep (de artikelen 71, 72a,
87, tweede en derde lid, 241c, 404 tot en met 455, 535 en 537 Sv), de strafbeschikking (de
artikelen 255a, 257a tot en met 257h en 354a Sv) en cassatie in het belang der wet (artikel 456
Sv).
Artikel IV
Met de in dit wetsvoorstel vervatte wijzigingen worden de belangrijkste bepalingen van de huidige
Wmv in aangepaste vorm overgeheveld naar de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Gelet hierop, kan de Wmv komen te vervallen.
Wat betreft de wijze van totstandkoming van een opdracht tot vervolging wordt verwezen naar
hetgeen daarover in de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 485d is opgemerkt.
139
Artikel V
Dit betreft een gebruikelijke inwerkingtredingsbepaling.
Artikel VI
Met deze bepaling wordt het wetsvoorstel voorzien van een citeertitel.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Verwijzingen en referencies

  1. Met het oog op de leesbaarheid wordt deze kring van personen in het vervolg aangeduid als ‘Kamerleden en bewindspersonen’.
  2. Bijlagen Handelingen II 1913/14, 286, nrs. 1 en 2.
  3. Wet van 15 januari 1921, Stb. 1921, 14.
  4. Vgl. het rapport van de Commissie-Schouten, waarbij eveneens geen concrete verdachte in beeld was (Kamerstukken II 2015/16, 34340, nr. 2).

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


            

            

                        
            
            
assignment_turned_in Registrations
No Registration form is selected.
(Click on the star on form card to select)
Please login to view this page.
Please login to view this page.
Please login to view this page.